woensdag 11 april 2007

Vroemmmmmmm....

Nee, ik heb geen midlife crisis. Dat punt hoop ik nog niet bereikt te hebben. Ook ben ik niet tegen een molenwiek aangelopen. En aspiraties om een Echte Man aan de haak te slaan heb ik ook al niet. De reden ligt ergens anders. Is vrij simpel, eigenlijk, als je er over nadenkt.

Een paar jaar geleden las ik, met de auto Italië doorkruisend, van Genua tot Sicilie, het boek Vroom with a view van Peter Moore. Deze stapt op een Vespa uit ’61, uiteraard Sophia gedoopt, en trekt zo van Milaan naar Rome. Al hortend en stotend pruttelt de scooter verder. Echt opschieten doet de auteur niet, hij doet er zo’n drie maanden over, maar genieten wel. Volop. Het leek mij wel wat. Alleen, wel iets sneller, misschien. Dan kom je ook nog eens ergens.

Sinds september woon ik weer in Nederland. En heb wat last van heimwee. Niet zozeer naar het land, of dorp, dat ik achter liet, want ik ben al vele leuke plekken tegengekomen en weet dat er meer plaatsen zijn op de wereld waar het goed toeven is. Waar je je thuis kan voelen. Nee, het is meer heimwee naar een gevoel. Het gevoel van vrijheid. Met niemand iets te maken hebben. Lekker doen wat je zelf wilt, je bent er toch maar tijdelijk. Geen mens die je verstaat. Alle opties zijn weer open. Wat zal er morgen weer gebeuren? Wie zal ik ontmoeten? In Nederland is het allemaal wat voorspelbaarder. Wat saaier. Wat trouwens ook wel een reden was om terug te komen. En wat over een paar jaar weer een reden zal zijn om te vertrekken. Als u het nog volgt.

Maar goed, voorlopig in Nederland. En hier geen bergen. Wel veel vlak land. Dit opent weer andere opties. Één plus één is drie, dus was de logische conclusie: motorrijles. Tenminste, voor mijn wederhelft (ik blijf die aanduiding bij gebrek aan beter maar gebruiken). En ik kon dan wel achterop. Of in een zijspan. Ja, lekker. Je lot in vreemde handen leggen. Er op vertrouwen dat de ander wel weet wat hij doet. Daar ben ik over het algemeen wel goed in. Niet dus. Dat was geen optie. En trouwens, dat ik als klein, zielig meisje achter zou blijven en mijn angst zou toegeven ook niet. Dan beland ik nog liever op het asfalt. Ik zou er dus aan moeten geloven.

Het toeval wilde dat we een aanbieding tegenkwamen van een rijschool. Bij inschrijving voor 31 maart, alle te volgen lessen voor de helft van de prijs. En, als antwoord op de eerste vraag die in mij opkwam, dat blijft gelden, hoe vaak je ook zakt. Twee voor de prijs van een dus.

Op een zonnige zaterdagmiddag vol goede moed op pad. Lichte vlinders in de buik. De spanning stijgt nog een beetje na aankomst. Daar staan ze. Toch wel flinke machines, zo van dichtbij…

foto













Een motorpak uitzoeken. Niet van leer, helaas. Alles veel te groot. Meer op mannen afgestemd. Helm. Handschoenen. De stevige schoenen die ik in een helder ogenblik had meegenomen, worden goedgekeurd. Blijkbaar komen er ook wel eens vrouwen op hoge hakken aan. En op stiletto’s zou het toch echt wat lastiger worden…

De eerste uitleg. Met zijn drieën in een klasje, ik en twee mannen. Die beiden brommerervaring hebben. Met versnellingen. Ik niet. Ja, ik geloof dat ik ooit twintig meter met de brommer van een vriendje heb gereden. En ‘m niet in de sloot heb geparkeerd. Maar dat was het dan ook wel, qua wapenfeiten op een gemotoriseerde tweewieler. De instructeur legt uit: contactsleutel, koppeling, handrem, voetrem, versnelling. Ga maar een stukje rijden. De mannen vertrekken spoorslags.

Ik niet. Ik blijf staan. Want ik mis iets in dat rijtje. Het gaspedaal. Of hoe dat bij een motor ook heet. Enigszins schaapachtig kijk ik de leraar aan. Een tikkeltje meewarig kijkt hij terug. En wijst aan. Met de waarschuwing er voorlopig maar van af te blijven.

Zo. Nu ben ik klaar voor de start. Denk ik. Contactsleutel aan, versnelling in zijn vrij. Starten. Koppeling in, schakelen naar zijn één. En gaan. Maar de motor denkt er anders over. Voelt zeker dat ik nog niet echt overtuigd ben. Pruttelt kort maar krachtig, en slaat meedogenloos af. Nog maar een keer. En nog een keer. Drie maal is scheepsrecht. En daar ga ik. Mijn voeten slepen nog wat over de grond, helemaal zeker ben ik er niet van. Rem nog maar eens. En weer voorzichtig verder. Iets meer de koppeling loslaten, balans vinden. De machine gaat voorwaarts. Voorzichtig zoek ik met mijn voeten de zijsteunen. Zet ze erop. En ik beweeg nog steeds. Val niet om! Maar na twee euforische seconden doemen geparkeerde auto’s voor mijn vizier op. Lichte paniek. Wat te doen? Remmen maar weer. En heel, héél langzaam een bochtje. Het mag geen naam hebben. Maar toch, mijn eerste bochtje! Heel trots ben ik. Totdat ik op kijk. Mijn medecursisten draaien cirkeltjes om me heen. Doen oefeningen. Slalommen tussen paaltjes door. Bah. Bah. Bah.

Uiteindelijk doe ik hetzelfde, laat ik de motor om pylonnetjes heen draaien, er her en der wat omver maaiend, mag ik iets gas geven, stuur ik bochten linksom in, en bochten rechtsom maken, ga zelfs al een stukje in de tweede versnelling, maar altijd als laatste. Altijd als zij al weer met het volgende onderdeel bezig zijn. Ik heb al in de eerste les een redelijke achterstand opgebouwd. En achterstand, daar kan ik niet zo goed tegen. Competitief tot in mijn tenen, dat is een betere beschrijving.

Aan het eind van de les stap ik verhit en moe van het apparaat af. Doe heel snel de beschermende kleding die dampt van de warmte. Ik neem me voor heel veel te oefenen. Net zo lang tot ik het kan. Want opgeven, dat staat niet in mijn woordenboek. Misschien is er wel een leuke boerenzoon te vinden met een eigen weiland, waar ik wat op rond mag scheuren…



Wordt (wellicht) vervolgd…

Foto: Honda.

maandag 9 april 2007

Avonturen met de TomTom II: Berlins Beste Kneipen

Na een maand of wat geoefend te hebben, was Tommetje toe aan het grote werk. Nu werd niet alleen meer de weg in het vaderland verlangd. Nee, we gingen over de grens. Duitsland. Berlijn.

Als het even kan, reizen wij per auto. Binnen Europa hebben we al heel wat kilometers afgereden. Spullen achterin, muziekje op, en rijden maar. Weinig planning. Veel vrijheid. En als grootste voordeel: vervoer op de plek van bestemming. Op een plek die te ver weg ligt om met de auto te bereiken, wordt dan ook steevast een exemplaar gehuurd. Van waarschuwingen trekken we ons niet veel aan. Wat nou, beter niet met de auto naar Rome? Parkeerproblemen? Opstoppingen? Wel nee. Gewoon bijna het Circus Maximus opgereden, de voorbandjes stonden er al op, en elke dag om de hoek van het Colosseum geparkeerd. Misschien een verbodsbord genegeerd, zo hier en daar, maar een bon of reprimande zijn we niet tegengekomen.

Dus voor Berlijn, op slechts zevenhonderd kilometer rijden, was er geen discussie nodig. Met de auto. De reis verliep voorspoedig, een ouderwetse wegenkaart voldeed prima voor de lange stukken, en in de stad kon Tommetje voor het eerst aan het werk. Het adres van het hotel ingetoetst en, viola, binnen een mum van tijd stonden we voor de deur. Zelfs een ingewikkelde bocht, nodig om de parkeerplaats te bereiken, stond op het repertoire. Dat opende perspectieven.

De volgende dag lekker uitgeslapen. Toen op pad. Eerst maar eens een rondje door de stad, op de bonnefooi. Eenvoudigweg de bordjes ‘centrum’ gevolgd. De zon scheen. We parkeren, lopen een stukje. En weer verder. Dat ziet er bekend uit! Die poort, is dat niet… Ja hoor, de Brandenberger Tor. En dan moet dat, toch, die brede laan met die bomen, ja. Unter den Linden. Een boekhandel. Gespecialiseerd in de stad zelf. Gauw naar binnen.

Aangemoedigd door het recente succes kopen we wat gidsjes. En zien op een tafeltje een zeer aansprekende kaft. Roodharige vrouw erop, fles aan de mond. ‘Berlins Beste Kneipen’. Dat is iets voor ons. Snel aangekocht.
foto










De daaropvolgende dagen brengen we als volgt door: slaan het boekje open op een willekeurige bladzijde. Bladeren wat, kiezen een gelegenheid uit. Een kneip. Geven Tommetje het adres en laten hem zijn gang gaan. Crossen de stad door, nemen niet altijd de kortste weg, maar komen toch onfeilbaar op de beoogde locatie uit. Bij een rockcafé, intern volledig bekleed met LP’s en CD’s. Of een Gothic bar, met doodshoofden op de stoelleuningen. Of een alternatief kunstcentrum met halfvergane roodfluwelen bankjes en een afbrokkelende filmzaal. Of een tapasrestaurant met echte Spanjaarden. Of een Marokkaanse theetuin waar je je schoenen uittrekt en op kleurige kussens zit. Altijd off the beaten track. Meestal in Oost-Berlijn. Vaak in buurten in opkomst. Grotendeels zonder andere toeristen.

We ontwikkelen een voorkeur. Ontbijten altijd bij dat leuke tentje in de Oranienburgerstrasse. Willen nog wel eens terug naar die straat in Kreuzberg, welke gekenmerkt wordt door een aaneenschakeling van interessante eetgelegenheden.

Tussendoor typen we af en toe het adres van een bezienswaardigheid. Of een museum. Volgen we de route van de muur. Steken we Checkpoint Charlie over. Laten we ons paspoort vol Russische visa stempelen.

Aan het eind verzuchten we: hij heeft zo zijn nadelen, die Tommetje, maar in een onbekende stad is het toch wel heel erg handig. Hij mag voorlopig blijven. Missie geslaagd...


Eerder verscheen al: Avonturen met de TomTom (31 maart 2007)

donderdag 5 april 2007

Roomservice VI - Work Out

Rennen, springen, vliegen, duiken, vallen, opstaan en weer dóórgaan….
De tekst van het het liedje "Opzij*" nestelt zich in mijn hoofd. Opzij, maak plaats, want wij hebben haast. Wij hebben haast, en de rest moet maar inschikken. De rest telt niet mee.

In Canary Wharf, het gerestylde deel van Docklands zeg maar, had gisteren iedereen haast. Haast, om naar werk te komen. Haast, om een afspraak te halen. Haast, om een taxi aan te houden. Haast, om een broodje te eten. Haast, om geld uit te geven in de winkels. Want geld, dat hebben de meesten wel. Klik, klak, klik, weerklinken de hakken van de dames. Tringgg, tranggg, tringgg, de Blackberry’s van de heren. Aan het eind van de dag hetzelfde beeld. En waar gaan ze dan heen? Er zijn twee opties voor de Londense zakenman of vrouw: de kroeg of de gym.

Om vijf uur stromen de kantoren leeg en de pleinen vol. Als het niet regent, en niet vriest, staat iedereen buiten. Bier in het hand, een schaaltje pinda’s op het statafeltje. Want zitten, dat is niet de cultuur. Dat doen ze misschien al genoeg, de hele dag, op de bureaustoelen. Men staat, rechtop, borst vooruit. Laptop op de grond. Stropdas wat losser. En ouwehoeren maar. Tachtig procent is van het mannelijk geslacht. Af en toe een vrouw. In de typische City stijl: te strakke, te korte rok, te hoge hakken. Te klein, synthetisch truitje onder een getailleerd jasje. Net iets te mollig voor de kleding die ze draagt. Zelf vrij slanke vrouwen lijken zo nog zwaar. Altijd, ook in de zomer, in donkere tinten. Meestal zwart. Behalve het truitje en de schoenen, die mogen om de een of andere duistere reden wel een kleurtje hebben. Leren laarzen zijn vaak felroze of spierwit. Men proost. Collega’s met collega’s. Klanten met verkopers. De conversaties net wat ongedwongener. Goed, om elkaar buiten het werk mee te maken. In een andere omgeving. Niemand die doorheeft dat het café, aan de voet van de kantoortoren waarin men dagelijks opgesloten wordt, gewoon een extensie van de werkvloer is. Dat compromitterend gedrag nog steeds genoteerd wordt. Dat de hiërarchie nog steeds geldt. Ik, ik laat ze in de waan.

Een ander fenomeen in dit hypermoderne stukje Londen zijn de sportscholen. Enorme gyms met muren van glas ingevangen in staal, liefst op de tweede etage, met uitzicht over het gepeupel. Letterlijk uit de hoogte genietend van het morele en fysieke overwicht. Zullen we hier dan de dames vinden? Mis, hier ook al overwegend heren. Rennen, fietsen, duwen, trekken, rekken, steppen, en steeds dóórgaan... Altijd dóórgaan. Men probeert elkaar af te troeven. Sneller te lopen, het langer vol te houden. Kijkt elkaar aan. 'Kijk mij eens lopen. Kijk mij eens zweten.' Haantjes. Ook hier. Zogenaamd ter ontspanning, ter ontsnapping aan de dagelijkse sleur. Niemand die doorheeft dat de gym, met uitzicht op dezelfde kantoortorens waar de cafe’s op de begane grond gesitueerd zijn, ook een extensie van de werkvloer is. Dat het netwerken, indrukken achterlaten, carrière maken gewoon doorgaat. Ik, ik laat ze in de waan.

Een workout kunnen de meesten wel gebruiken. Na al dat stoelzitten en kroeghangen. En de volwassenen zijn niet de enigen in Engeland die aan hun conditie moeten denken. Op de radio, al hobbelend in een Black Cab Londen doorkruisend, hoorde ik dat schoolkantines nu bij bosjes failliet gaan. Waarom? Omdat, na een actie van de bekende televisiekok Jaime Oliver, junkfood verbannen is uit het officiële dieet van een scholier. De onderwijsinstellingen serveren nu gezond eten. Maar de Britse tieners, of zelfs de lagere school pupillen, willen geen gezond eten. Zij willen vettigheid en suiker. Patat, chips, en Marsen. Dus gaan ze massaal buiten de deur eten. De snackbars varen er wel bij. Ook schijnen ze in de pauzes hun vitamine-arme maaltijd aangereikt te krijgen van hun ouders, dwars door het hek heen. Ik zie zo de bekende papieren zakken met een grote M erop tussen de tralies door geperst worden. De onderkant vult zich met lekkend vet, wordt al wat kleverig…

Mij komt het wel goed uit, die gymcultuur. Hoe meer mensen achter glas aan hun conditie werken, of op het terras hun buikspieren laten verslappen, hoe minder er op straat zijn. Kan ik gewoon mijn rondje rennen. Als ik dat zou willen. Langs het water. In de ondergaande zon. Want voor het uitzicht hoef ik niet in mijn kamer te blijven…

foto


























In deze serie verschenen ook:

Roomservice V - Quiet Please! (3 april 2007)
Roomservice IV - Chai Latte (23 februari 2007)
Roomservice III - Indefinite Delay (20 februari 2007)
Roomservice II -Mojita's (31 januari 2007)
Roomservice I - Entertain Me (30 januari 2007)



*Tekst: Herman van Veen / Muziek: Herman van Veen, Erik van der Wurff

dinsdag 3 april 2007

Roomservice V - Quiet Please!

Webstats werd Motigo. En Motigo werd een stuk nauwkeuriger dan Webstats. Er wordt nu veel meer duidelijk. Zo, zoals de oplettende eigenaren van de blogs waar ik een reactie achterliet in de laatste vierentwintig uur, al hebben kunnen gezien, zit er nu iemand in Londen. In Holiday Inn London Excel, London, London, City of, United Kingdom, om precies te zijn. Die iemand, dat ben ik.

Nou ja, er is goed nieuws voor diegenen die niet zo prijs stellen op de opheffing van hun anonimiteit: Motigo zit er ook wel eens naast. Zo heet het hotel waar ik zit geen Holiday Inn. De rest klopt aardig.

Londen Excel, dat betekent Docklands. En Docklands, dat betekent een voortzetting van de Roomservice serie. Bij deze dus.

Gisteravond zat ik in een andere kamer. Met een aardig uitzicht over het water. Voor zover je dat hier kan hebben dan, een aardig uitzicht.

foto


























Maar dat kon niet duren. Met die kamer was iets mis. Hij maakte herrie. Als je dat tenminste over een kamer kan zeggen. Of de muren hielden de herrie niet goed buiten mijn wereld. En herrie, in een hotel, of in om het even wat voor slaapkamer, daar kan ik niet zo goed tegen. Vooral niet tegen continue, mechanische herrie. Een monotoom gebrom op de achtergrond. Die uiteindelijk je hoofd vult. En om aandacht vraagt. Waar je naar gaat liggen luisteren. Zoals een airconditioning unit die geen fluisterstille nachtstand heeft. Of een minibar die constant moet koelen. Waarna, overigens, de drankjes nog steeds lauwwarm zijn. Bij mij gaat dan ook de airco zonder pardon uit en verlos ik de stekker van de tafelijskast resoluut van het stopcontact. Desnoods verbouw ik het halve meubelstuk waar het ding in zit, schuif het barretje met kast en al door de kamer zodat ik er goed bij kan: het moet stil zijn.

Soms is de herrie onverklaarbaar. Dan leg ik mijn hoofd op het kussen en blijkt er opeens een zoem uit de muur te komen. Die uiteraard het sterkst is net waar het bed staat. Waar je niets aan kan doen. Een machine ergens verborgen staat te ronken. Grote airconditioning units buiten, op de binnenplaats net onder het raam, op of het dak net boven mijn hoofd, vallen ook niet mee. Ja, ik ben niet makkelijk. Ik geef het toe. Licht neurotisch, misschien wel. Maar als ik voor mijn werk op reis ben, en in mijn eigen tijd ergens in het buitenland overnacht, dan is het minste wat ik er voor terug vraag, dat ik goed slaap. Overdag is er dan al stress genoeg.

Hotels zijn over het algemeen niet goedkoop. Ontelbaar zijn dan ook de keren dat ik, al dan niet in pyjama, me naar een andere kamer heb laten verplaatsen. Soms begeleid door een uiterst vriendelijke baliemedewerkster die meeluistert in de volgende kamer of het daar beter is. En indien noodzakelijk in de volgende, en volgende. In sommige hotels heb ik een lijstje met kamernummers, waar ik niet meer in terug wil komen. Gelukkig dus is men me meestal wel ter wille. En aangezien men bij vertrek me nog graag allerlei customer loyalty cards aan probeert te smeren, ben ik blijkbaar nog niet de ergste gast.

Ik verbaas me er wel over dat deze bedrijven het zo ver laten komen. Elk hotel zou proefslapers in dienst moeten hebben die de kamers een nachtje uitproberen. En niet één keer, als het hotel net nieuw is, maar geregeld, want met de ouderdom komen de gebreken. Om te weten hoe het voelt, zo’n kamer. Hoe het is, om te slapen met een indringende, niet-aflatende brom op de achtergrond. Om ’s ochtends als avondmens veel te vroeg wakker te worden omdat de gordijnen van een te goedkoop, lichtdoorlatend materiaal zijn. En te merken hoe je hierna nog chagrijniger wordt, als je vervolgens onder een miezerig straaltje lauwwarm water moet douchen. Met een grijzig douchegordijn dat aan je net zo moeizaam gewassen huid vastkleeft. En dan heb ik het nog over de vijfsterrenhotels.

De proefslaper moet in mijn kamer van gisteravond nog langskomen. Zelfs met de airconditioning op nul, bleef de lucht stromen. Met bijbehorende ventilatiegeluiden. Ik probeerde het nog te negeren. Dacht, ‘ach, ik ben moe genoeg, merk er vast niets van.’ En ik ging vrij laat slapen dus had niet erg veel zin om alles weer in te pakken en midden in de nacht met mijn koffers op sleeptouw te gaan. Dat resulteerde dus in een onrustige nacht, waarbij ik, na moeizaam in slaap gevallen te zijn, keer op keer wakker schoot, hetzij door het geluid, hetzij door de nogal bizarre gedachte: ‘zou het weg zijn?’ of ‘hoor ik nog wat?’. Ja, wonderlijk hoe het menselijke brein werkt in half verdoofde toestand.

Maar goed, nu dus verhuisd. Er is geen ventilatieherrie. Maar het uitzicht is wel duidelijk minder.

foto


























En een straf windje vindt alle kieren in het raam, blaast er vrolijk doorheen, met als gevolg dat het nog steeds vrij lawaaiig is. Al met al ben ik er dus niet echt op vooruitgegaan…

Gelukkig is er wel roomservice. Het menu van vanavond; wortel- en gembersoep, vegetarische samosa’s met erg hete saus, en fruitsalade. En een blogje...




In deze serie verschenen ook:

Roomservice IV - Chai Latte (23 februari 2007)
Roomservice III - Indefinite Delay (20 februari 2007)
Roomservice II -Mojita's (31 januari 2007)
Roomservice I - Entertain Me (30 januari 2007)

maandag 2 april 2007

Zita Swoon - Paradiso - 1 april 2007

Een strakke, lange blauwe jurk, het lange blonde haar tot ver over zijn schouders. De herinnering aan frontman Stef Kamil Carlens tijdens de laatste keer dat ik Zita Swoon zag. Hij had de disco herontdekt. Dat is inmiddels al weer een jaar of vijf, zes geleden.

De Belgische band is tijdens een lange roadtrip door vele aspecten van het muzieklandschap, die in 1990 begonnen is, volwassen geworden. Denkt u aan een combinatie van George Clinton en zijn Funkadelics, en Bob Dylan. Een vleugje reggae, funk, soul, glam. En rock natuurlijk. Zita Swoon trad gisteravond op in een stampvol Paradiso. Met de indruk op stamp, want de voetjes konden bij de aanstekelijke muziek niet lang stil blijven staan.

Eerst was er nog een voorprogramma. Tip Toe Topic. Een duo, hij op gitaar, zij op zang, een speelgoed keyboard, een klarinet. Af en toe zingt ze met gebruik van een megafoon. Het is niet desalniettemin vaak niet te verstaan. Het geheel komt een beetje braaf, ingetogen over. Inderdaad, alsof je er op de punten van je tenen bij moet lopen. Maar is wel melodieus. Covers van ‘Hound Dog’, bekend van de Elvis uitvoering, en ‘Dead End Street’ van de Kinks, zorgen voor wat actie. Al met al zou de formatie zou niet misstaan in een wat huiselijkere omgeving, al liggend in een grote berg rode en paarse kussens, een rokerige walm, voor de liefhebbers veroorzaakt door een grote waterpijp... Het publiek reageert wat lauwtjes, afwachtend. Het duurt niet lang, en Tip Toe Topic is in een flits van het podium verdwenen.

Het publiek, dat is trouwens vaak een studie op zich. Vanavond vallen als eerste een bovengemiddeld aantal bebrilde jongens en meisjes op. Jong, net gekleed, een beetje arty. De typering ‘Dungeons & Dragons’ komt in me op. Van die lui die niet alleen computerspelletjes spelen, maar ook verzamelplaatjes hier van onderling uitwisselen. Licht nerdy dus.

Toen was het tijd voor de hoofdact. De aanleiding van de tour is Zita Swoon’s nieuwe CD. Het is er niet aan af te horen: alle nummers lopen als een trein, en zijn zeer goed ingespeeld. De ervaren band kent duidelijk geen gebrek aan professionaliteit. En het allerbelangrijkst, de muzikaliteit spettert van het podium af.

De achtergrondzangeressen vormen een integraal onderdeel van het geheel. En de classificatie ‘achtergrond zangeressen’ blijkt de lading niet te dekken. Als eerste valt op dat hun vocalen op gelijke geluidssterkte zijn in gemixt als die van Carlens. Een teken van een groot vertrouwen in het gezamenlijke kunnen. En de dames komen op een gegeven ogenblik goed op gang, nemen om de beurt stukjes solozang voor hun rekening, al flirtend met de toehoorders, onderwijl het podium volledig overnemend. Maar even later herneemt Stef de zaal weer moeiteloos met zijn eigen, aparte stemgeluid. Hij danst, danst en danst. Wat een energie! Dit is topsport. En de zaal, die gaat mee. Overal lachende gezichten. Men geniet. Wil meer. Krijgt dat ook, een toegift, vier nummers. Gutsend van het zweet staan de muzikanten op het podium. Ze geven veel. Ze krijgen er ook wat voor terug. Kijken elkaar verheugd aan. Hier gaat het immers om.

Ze hebben dorst. Vragen steeds om water, af en toe komt er een bekertje langs. Mondjesmaat. Het is niet genoeg, lang niet genoeg. ‘Geef ze wat te drinken!’ wil ik schreeuwen. ‘Dan blijven ze misschien nog even!’ Na de toegift blijft het donker. En zo lang het donker is, is er hoop. Het publiek maakt dan ook eensgezind kabaal. Veel kabaal. Heel veel kabaal. Ruim twee uur speelde Zita Swoon al de sterren van de hemel. En toch, ze komen nog even terug. Persen het laatste beetje energie uit het lijf. Voor, zoals Carlens zegt, ‘een klein liedje’. We zijn er blij mee.

Enige jaren geleden liep ik, bij een kleinschalig festivalletje in de Melkweg waar ik toevallig beland was, eens nietsvermoedend een miniem bovenzaaltje binnen. Het is donker. Het publiek muisstil. Ontroerd. Aangeslagen. Op een kruk, in zijn eentje op het podium, een grijze man met gegroefd gelaat. Donkere kleding. Wit uitgelicht. Hij zingt. Rauw. Meeslepend. Indringend. De tijd staat stil. Niemand weet hoe lang het geduurd heeft. Niemand kan het iets schelen. Na afloop weten we, dit was heel bijzonder.

Die man, dat was Townes van Zandt. Ik zie Stef Kamil Carlens ook nog wel zo zitten, als hij op gevorderde leeftijd is, misschien over een jaar of dertig. Hij zou het prima kunnen.




zaterdag 31 maart 2007

Avonturen met de TomTom

Deze vrouw kan kaartlezen. Ja, dat durf ik zo maar op te schrijven. Geen bluf. De naakte waarheid. Ik ben een ster in de weg vinden. Zo. Dat staat er. Daag me maar uit. Als je durft.

Vroeger, met mijn ouders op vakantie, haalde ik van te voren een stapel kaarten bij de ANWB. Stippelde de meest efficiënte wegen uit naar Italië of Zuid-Frankrijk. Alle bezienswaardigheden of secundaire wegen sloeg ik over. De eindbestemming was het doel. Geen geflierefluit. Zo weinig mogelijk oponthoud. Doorrijden. Eenmaal op pad zat ik pontificaal naast mijn vader, op de bijrijderstoel. Want van mijn moeder, die schat, heb ik dit talent niet geërfd. Zij zat achterin met mijn zusjes. Een berg routepapier lag aanvalsklaar op mijn schoot, en nog wat niet direct nodig was onceremonieel in het dashboardkastje gepropt. Een Europese overzichtskaart, voor de hele route. Landkaarten, voor delen ervan. En streekkaarten, voor na aankomst. Een wegengids in boekvorm vond ik niets: dan is een land opgedeeld in kleine, hapklare stukjes. Dan is het moeilijk het totaalplaatje te zien. Kan je niet in een oogopslag opmaken hoe je van A via B naar C moet komen. Nee, halverwege het traject A - B houdt de bladzijde op. Tien pagina’s verder gaat het weer door. Je blijft bladeren. Meer iets voor dagjesmensen, niet voor de serieuzere toerders.

Enige jaren geleden kwamen de online routeplanners in het vizier. Op een website typte je begin- en eindpunt in, een zwarte doos ging aan het rekenen, en spuugde het ideale parcours uit. Op een minuscuul tekeningetje zag je dan de aan te houden wegen. Een vergrootglas was geen overbodige luxe. Uitgeprint was het al helemaal niet meer te volgen. Ja, natuurlijk gaven ze er wel een uitleg bij, maar dat maakte het niet veel beter. ‘Deze weg gedurende 89,9 km volgen.’ ‘Neem de afslag naar links’. Welke weg? Welke afslag? Op welk bord moet ik letten? Bij welke stad zijn we? En op welke weg zou ik me moeten bevinden? Vergeet het antwoord maar. Dat komt niet. Hopeloos verloren is een ieder zonder kompas en zichzelf extreem uitrekkend en flexibel meetlint. De routeplanners zijn eigenlijk alleen nuttig voor het vinden van een eindbestemming in een onbekende stad, waar je zelf al naar toe bent gereden. Ik vertrouwde nog gewoon op de ouderwetse wegenkaarten van de ANWB. Of Michelin.

Vorig jaar was ik aan een nieuw mobieltje toe. Mijn wederhelft, met de neus altijd op scherp, kwam een mooie aanbieding tegen. Een TomTom bij een nieuwe telefoon! Bijna te mooi om waar te zijn! Dus op naar de winkel, de dag volgend op de advertentie. Nee, u raadt het al, 'helaas, het spijt ons zeer, niet meer verkrijgbaar'. Het had storm gelopen. Velen waren ons in die achttien uur, inclusief vijftien uur sluitingstijd, reeds voorgegaan.

Nu hadden we daar al rekening mee gehouden: dit soort aanprijzingen zijn vaak niet meer dan een lokkertje om de klant, bij gebrek aan het aangebodene, een andere, duurdere uitvoering aan te smeren. Dus de hoop was vervlogen. Maar de verkoper ging voor ons bellen. En er bleek nog een exemplaar beschikbaar te zijn, ergens in Amsterdam-Oost. Op pad. En ja hoor, niet alleen was ik even later de trotse eigenares van een nieuwe telefoon (met een tweejarig abonnement, dat dan weer wel. Maar ik ben van plan nog wat langer mee te gaan, dus dat deerde me hoegenaamd niet) en een heus navigatiesysteem. De moderne tijd brak ook en route aan.

Nou. TomTom, of Tommetje, zoals hij (zij?) al gauw genoemd werd, meteen geïnstalleerd. Met een mooie damesstem erop. Ik heb altijd liever herenstemmen, maar ja, maak me er niet genoeg druk om. Een dame dus. Een adres ingetoetst. Het apparaat rekent de route uit. En we gaan op weg. Nog geen tien kilometer later, op redelijk bekend terrein dus, stuurt de omfloerste vrouw ons een zijpad in. Ik sputter tegen. Dit kan niet de beste weg zijn. Maar mijn gezelschap is vastbesloten: Tommetje heeft er voor doorgeleerd. Die zal het dus wel weten. Dus wij hobbelen vrolijk het smalle weggetje in. Draaien naar rechts. En volgen de hoofdweg op een zijspoor. Met kuilen, overstekende ganzen, kippen, fietsers, spelende kinderen, bruggetjes, en scherpe bochten. Een gemiddelde snelheid van twintig, dertig kilometer per uur. Naast ons razen de gelukkigen met honderd voort. En natuurlijk, na een tijdje mogen we weer naar rechts. Terug de doorgaande route op. Een flink tijdsverlies. Wat niet zo erg zou zijn geweest, ware het niet dat we echt strak op schema moesten blijven. Ja, wel van het landschap genoten natuurlijk. Tussen het bakkeleien door.

Dit blijkt snel een terugkerend thema in de daaropvolgende uitstapjes. Tommetje wijst de weg. Ik, inmiddels gelouterd, zit er met een verfrommelde kaart bovenop. Of simpelweg met mijn richtinggevoel. En ik betwist de keuzes van Tommetje. De bestuurder geeft geen krimp. Ik wel. Ruzie met de TomTom.

Dit moet vast een patroonsverwisseling zijn. Ik zie wel eens een bord van een verzekeringsmaatschappij, langs de randweg. ‘XX% kans dat een ruzie over de route gaat’, of zo iets. De uitspraak suggereert dat zo’n meningsverschil zich dan tussen echtelieden afspeelt. Maar ik weet de ware oorzaak: de TomTom. Tommetje. Hoe te argumenteren met een stuk elektronica? Met een computer? Onmogelijk. Niet te winnen.

Maar, ik geef toe, op mooie plekjes kom je wel. Ook in den vreemde…

vrijdag 30 maart 2007

Nog even. De Winter.

Ik weet ook wel: het is verderfelijk. Verderfelijk, wat ze de natuur aandoen. Wat ze de bergen aan doen. Betonnen flats. Uit de grond gestampte dorpen op tweeduizend meter hoogte. Bevoorraad door een aaneengeregen rij diesel uitwasemende vrachtwagens. Van tijdelijke inwoners voorzien door een gelijke rij touringcars. Uit Nederland, België, Duitsland. Oost-Europa nu ook. Meer en meer Russen. Puffende auto’s in de file omhoog, en een week later weer omlaag, met al even hard puffende gezinnen erin. Boomkap. Kale hellingen. Bodemerosie. Overstromingen. Grote liftinstallaties die het landschap ontsieren. Die vele, vele kilowatts aan elektriciteit opslurpen. Hossende mensenmassa’s die geholpen door vele liters bier, glühwein en jagathee uit volle borst meegillen met stampende, hersenverwekende muziek. Boem! Boem! Boem! Ik kan me er over opwinden. Het zou niet moeten mogen.

Maar dan. Als je een rustige tijd in het jaar hebt uitgezocht. De schoolvakanties en files vermeden hebt. Naar een nog niet zo bekend gebied gereden bent. Met een authentiek dorpje, geen Bijlmer in de Alpen. Houten huisjes. Daken die bijna bezwijken onder een metersdikke deken sneeuw. Knusse restaurantjes. Oude, vervallen hutjes her en der verspreid. Schilderachtig in de ondergaande zon. Nog schilderachtiger in het donker.

De volgende ochtend, vroeg, als je boven bent, op die berg. De ruimte. De rust. De omgeving. De schone lucht. De zon. Kwetterende vogeltjes. Sporen van marmotten, van herten, hazen, wie weet wat allemaal, in de verse witte massa. Daar, daar beweegt iets! Goed kijken nu.

Je glijdt bijna gewichtsloos over de knisperende sneeuw. Je adem is zichtbaar in de ijskoude, droge lucht. Een windje snijdt langs je oren. Je trekt je muts nog even verder naar beneden. Een nieuw spoor vormt zich. Een ritme. Links, rechts, links, rechts. Grote bocht. Zweven. Zoeven. Bewegen. Verder. Harder.

Buiten adem zak je op een vrijwel leeg terras neer. Bestelt een warme chocolademelk. Met slagroom. En een scheutje rum, want dat heb je wel verdiend. Even krachten opdoen. Zo weer op pad.

Aan het eind van de week gaat het merkbaar makkelijker. De lichte spierpijn van de tweede dag is verdwenen. Je uithoudingsvermogen is met grote sprongen verbeterd. De spieren tekenen zich af onder je huid. De bleekwitte winterkleur van je gezicht heeft plaatsgemaakt voor een gezonde blos. De onwelkome twee kilo’s die er met de Kerstdagen bij waren gekomen, zijn nergens meer te bekennen. Dit alles ogenschijnlijk zonder moeite. Zonder kleffe apparaten in een zweterige sportschool. Zonder ingewikkelde diëten. Je doet nog een extra rondje ’s avonds. Trekt snel een sprintje om de laatste lift te halen. Ze sluiten altijd veel te vroeg.

Te snel komt de laatste dag. De laatste helling. De laatste bocht. De laatste sneeuw. Het afscheid. De terugreis. Volgend jaar weer. Volgend jaar altijd weer.

Dus daarom. Wintersport. Ik zou alleen wel willen dat er maar één berg open was. Alleen voor mij, mijn familie en vrienden. De rest mag dan weer worden zoals honderd jaar geleden. Maar ja, dat willen de mensen in de lift achter mij ook wel.

woensdag 14 maart 2007

De Pauze

Een vrouw trekt de deur dicht. Ze lijkt jong nog, zo van een afstand. Slank. Licht gespierd. Het haar in een staart. Ze heeft een fles water in de hand, neemt een laatste slok, aarzelt, zet het in de voortuin neer. Voor straks, voor het uitlopen. Ze strikt haar veters nog eens. Legt een dubbele knoop. Trekt haar sokken op. De in wit gehulde enkels steken af tegen haar blote huid. Stoere schoenen, zwart en grijs. Dichterbij verraden haar ogen dat ze meer gezien heeft dan ze op het eerste gezicht prijs geeft. Dan ze prijs wil geven.

Ze loopt altijd alleen. Heeft geen behoefte aan gezelschap. Gezelschap, dat is juist wat ze kwijt wil raken. Waar ze al meer dan genoeg van heeft. Altijd. De hele dag. Op haar werk, thuis, in de trein, de file, het vliegtuig, het café, het theater. Nooit is ze alleen. Geen moment voor zichzelf. Geen rust. Maar nu wel. Niemand die het tempo opvoert, of vertraagt. Of verstoort. Het is haar tempo nu. Haar manier. Voor haar geen groepjes vrouwen die op een vaste dag, een vast tijdstip, met de vaart van de langzaamste een rondje joggen. Ze gaat wanneer ze tijd heeft. Ze gaat wanneer ze zin heeft. Ze gaat waarheen ze wil. Ze neemt ook geen muziek mee. Te storend. Sluit haar af van de buitenlucht, van de omgeving, van haar denkwereld. Zij, ze loopt met haar gedachten. En met het ritme van haar benen. Stoppen is geen optie. Eenmaal begonnen loopt ze de afstand uit. Altijd. Helemaal.

Daar gaat ze. Na een kilometer of drie, vier zijn haar ledematen opgewarmd. Haar spieren beginnen het te begrijpen. Haar hoofd herinnert zich waarom ze dit doet. Nog tien minuten verder en ze is op het dode punt. Hier heeft de wind het meeste vat. Tegenwind. Verrassend sterk. Dodelijk voor de motivatie. Maar ze weet, volhouden nu, straks begint de terugweg. En volgt de beloning. Het zweven over de weg. Het vliegen. Met de eindstreep in zicht legt ze er altijd nog een schepje bovenop.

Haar hersenen nemen een geluid waar. Iets aparts. Wat op de een of andere manier niet op zijn plaats lijkt. Haar aandacht is gewekt, ze luistert aandachtiger nu. Registreert het bewust. Een vermoeden vormt zich in hoofd. Dat kan toch nog niet, nu, zo vroeg? Halverwege maart. De tweede, misschien derde, mooie dag van het jaar. Bijna laat ze het los, negeert ze het. Bijna loopt ze het mis. Maar iets in haar speelt op. Ze kijkt om. Knijpt haar ogen samen. Dus toch.

Haar snelheid neemt af. Haar passen volgen elkaar met grotere pauzes op. Haar lichaam ontspant zich. Haar ademhaling vertraagt. Ze loopt er op af. Lammetjes. Blèrend. Blatend. Dartelend. Spelend. In de wei. In de zon. Een patroon doorbroken. Lente.

dinsdag 13 maart 2007

Avonturen in een wijnland IV: Rondproeverij

Een hond rent naar buiten. Blaft. Rent over het plateau. Werpt een halfvergane mand omver. De man begint te schreeuwen, bedenkt zich, houdt zich in, loopt naar de hond toe. Geeft hem een ruwe aai over de kop. Het is een mooie dag vandaag.

Hij loopt terug richting het huis. Ziet de robuuste schaduwen. De zon klimt naar de hemel op, flirt met de wolken. Het geluid van honderden, duizenden krekels omringt hem, zwelt aan en zwakt af als een eensgezind orkest. Hij is er aan gewend. Hij buigt af naar de grote schuur. Opent de deur. Bekijkt het gereedschap. Roestplekken veroveren meer en meer terrein op het staal en ijzer. Enige elektrische hulpmiddelen liggen nutteloos in onderdelen uiteen over de vloer. Hij trekt een kladblok met potlood uit zijn zak en maakt een lijst met meest urgente zaken.

Even later, terug in het huis, zit hij in het kantoortje. Een groot houten bureau vol papier en een proefzending plastic kurken, stalen archiefkast, een paar planken vol boeken. Hij neemt de post door van de dag. Een brief van een notaris, in Parijs. Een chique stempel. Hij aarzelt.

Naast de jaarlijkse caves ouvertes organiseren de verenigde Domaines de Genève nog andere activiteiten ter promotie van hun product. Zo hebben zij het ietwat wonderlijke plan opgevat om alcohol en lichaamsbeweging te combineren in een soort van wijnspeurtocht. Het idee is als volgt: op de uitgekozen dag melden de sportieve deelnemers zich aan en krijgen een kaart en kompas mee. Het inschrijfgeld komt grotendeels ten gunste van een goed doel. Op de kaart staat aangegeven welke chateaux en domeinen meedoen. Hier kan dan wijn geproefd worden. Op de plattegrond staan verscheidene routes uitgestippeld van oplopende lengte. Voor de echte sportievelingen is er ook een hardlooproute!

Nou houd ik best wel van een stukje hardlopen, vanmiddag zag ik nog de eerste lammetjes dartelend in de wei op een van mijn rondes, maar al alcohol verterend in de brandende zon door de heuvelachtige wijngaarden rennend leek me toch niet een al te slim plan. Het werd dus een wandelroute. Aanvangen kon er gedurende de hele dag, dus na de lunch begaven wij ons naar het beginpunt.

Hier kwamen we een zeer beteuterd kijkende bekende tegen. Deze keurige Engelse dame van gevorderde leeftijd had ook de wandelschoenen aangetrokken en was vrolijk op pad gegaan. Echter, al gauw kwam ze erachter dat de gemiddelde Zwitser, of Fransoos, zich om negen uur ’s ochtends op een zomerse zaterdag nog niet bepaald warm liep voor de proeverij. Ze was urenlang geen mens tegengekomen en moest de wijnboeren zelfs op gebiedende toon tot actie manen.

Ons verging het gelukkig beter. Gemoedelijk kuierden we over de paadjes, lachtten vrolijk naar een stel spelende kinderen, zeiden opgewekte medewandelaars gedag. Proefden hier en daar een wijntje, sommige lekker, andere minder, en aten een stokbroodje kaas, of, mijn gezelschap dan, een worstje. Zo konden we wel een middagje zoet brengen, al slenterend en drinkend voor de goede zaak.

Aan het eind van de dag waren de benen wat vermoeid, wilden ze niet zo vlot meer in beweging komen, en hadden ze enige aansporing nodig. Ik vermoed dat de wijn ons in de schoenen zonk. De tweede helft van de route verliep dan ook iets moeizamer. Maar gelukkig doemde het trouwe silhouet van onze eigen Twingo al snel op. Aangezien we liever lui als moe zijn, zagen we er niet al te veel heil in om grote dozen wijn op onze rug mee te sjouwen. Een enkele fles slechts. De terugreis verliep dan ook zonder al te veel stress. Het feit dat we, inmiddels wijs geworden, een smalle weg dwars door het bos namen met een onbewaakte grensovergang hielp hier ook wel wat aan mee…

Thuis nog net op tijd om de zon achter de bergen te zien zakken. Op het terras met een glas van de recente aankoop. We proostten op het leven. Het is goed, soms.

Wordt (wellicht) vervolgd…

In de serie Avonturen in een wijnland verscheen ook:

Vrijproeverij (4 maart 2007)
Fijnproeverij (1 maart 2007)
Blindproeverij (27 februari 2007)

maandag 12 maart 2007

The Waterboys – Het Paard 11 maart 2007 – Recensie

Den Haag. De naam alleen al roept een vloed aan herinneringen op. Jeugdherinneringen. Opgegroeid onder de rook van de stad – of dorp, hier zijn de meningen nog altijd over verdeeld – bracht ik er een groot deel van mijn tienertijd door. Later, toen ik in Rotterdam studeerde, gaf ik na een jaar mijn woonruimte in de Maasstad op en betrok twee kamers in de Residentie. Hier bleef ik evenwel ook niet lang, want ongedurigheid heeft zich diep in mijn karakter verankerd. Dan ging ik weer eens naar het buitenland of een poosje terug naar Rotterdam. Maar op een gegeven moment kwam ik vanzelf weer in Den Haag terecht. Totdat Amsterdam zich aandiende, en ik met die stad als basis voor kortere of langere perioden in het buitenland verbleef. Naar Den Haag ben ik niet veel meer teruggegaan.

Het Haagse popcentrum Het Paard van Troje, kortweg Het Paard, stond ten tijde van mijn vertrek naar onze hoofdstad in de steigers, en zou hier ook gedurende lange tijd in blijven staan. Gesloten wegens een verbouwing. Inmiddels is de zaal al weer enige jaren bereikbaar, maar voor mij was het gisteravond de eerste keer dat ik het nieuwe Paard ging meemaken. Eerst nog even een drankje en hapje gedaan op de Grote Markt. Deze plek, zo kan ik het niet laten te zeggen, is er niet erg op vooruit gegaan door het dominante aanzicht van de bijzonder gezellige ingang van de tramtunnel-annex-parkeergarage. Het terrasstoeltje dus maar omgedraaid. Zo zag alles er weer vertrouwd uit. Het voelde een beetje als thuiskomen.

Het doel van deze avond was het optreden van The Waterboys. Ja, misschien moet u nu diep graven in het geheugen. Opgericht aan het begin van de jaren tachtig, maakte deze band furore met hits als A Girl Called Johnny en The Whole of the Moon. In 1993 ging de groep uit elkaar, maar voorman Mike Scott pikte de draad in 2000 weer op en violist Steve Wickham doet sinds die tijd weer mee.

Het concert was uitverkocht. Het publiek verrassend divers: zeker, vele krasse rockers uit de begintijd, maar ook jongere hoofden waren er volop te onderscheiden. De band begon, zonder de versterking van een voorprogramma, precies op tijd met materiaal van hun nieuwste album. En wist de aandacht te trekken. Een nog jong ogende Mike op zang en gitaar en Steve in een soort glimmende vaudeville jas op viool vormden duidelijk de ruggegraat van de groep: zij speelden samen, draaiden tegelijk pirouettes, raakten eensgezind verstrikt in de snoeren. De rest van de band volgde. Het resultaat was een goed lopend muzikaal samenspel, sterk leunend op repeterende melodielijnen. Vanaf het openingsnummer stond het publiek mee te deinen. De teksten van het nieuwere werk waren niet al te ingewikkeld en werden al snel meegezongen. Dat geeft meteen ook wel een zwakker punt weer: het was af en toe wat al te simpel. Wat al te veel neigend naar jaren-tachtig stadionrock. Wat al te veel Europe. Gelukkig keerde Scott na niet al te lange tijd weer terug naar zijn met Pan-dwepende alter ego die lyrisch het publiek bespeelde. Als een soort rattenvanger van Hamelen stond hij op het podium, zweepte onderkoeld zijn publiek op, zeer zelfverzekerd en vooral ook zeer Brits. Maar geen moment kregen de toeschouwers het idee dat hij er louter en alleen stond om geld te verdienen. Zeker de wisselwerking met Wickman sprankelde van een jeugdig plezier.


De band keerde na een korte pauze terug voor de toegift. Het publiek schreeuwde om de twee bekende hits, verwachtte ze, eiste ze bijna, maar Scott gaf geen krimp. Waar hij bij eerdere concerten, zoals in 2001 in Paradiso, nog wel braaf het oude materiaal ten gehore gaf, sloeg hij het nu over. En dat was niet geheel onprettig.

De grootste wanklank was eigenlijk de zaal zelf. Het geluid was prima, maar grote stalen balkons, zoals bekend uit de Melkweg of de bovenste ring van Paradiso, sierden de bovenverdiepingen. Alleen de geluksvogels die recht tegen het hek aanstonden, kregen iets te zien. Iedereen hier achter kon het wel vergeten. Het gros van de bezoekers dus. En had je toch een glimp van de zaal opgevangen, werd duidelijk dat voor het podium nog wel plek zou moeten zijn. Snel naar beneden. Een rechthoekige ruimte, waarin aan weerszijden van het podium twee lange bars geplaatst waren. Goed voor de omzet wellicht, en de commercie regeert tegenwoordig, ook in het zogenaamd alternatieve popcircuit, maar erg slecht voor de concertbelevenis. Want die bars bleken een enorme hindernis voor de bewegingsvrijheid in de zaal. Als een soort wegversperringen, stormvloedkeringen bijna, hielden ze de bezoekersstroom tegen. Dus er was geen doorkomen aan. En halverwege de zaal was het podium al nergens meer in zicht. Ik ben niet extreem lang, maar vele dames zijn nog kleiner en konden het dus helemaal wel vergeten. Mijn advies: stoeltjes langs de balustrades op de eerste en tweede verdiepingen, zodat volgende rijen hierover heen kunnen kijken, en de bar beneden gewoon achter in de zaal. Dat scheelt een hoop ergernis. En met de concertprijzen van tegenwoordig is het minste wat je als bezoeker mag verwachten, dat je in ieder geval de artiest te zien krijgt!

vrijdag 9 maart 2007

Estrapade

De stilte beklemmend
Om de hoek
De angst gespannen
Op de loer

Bang voor
jezelf

Zet de muziek
Volume open
Volg de beelden
Schakel sneller

Voorkom
reflectie

Verdrijf het zwijgen
Verdruk het denken
Vul de leegte
Ontken de geest

Verjaag
de mens

Te nauw, te druk
Te veel, te vol

Kloppende slapen
Klappende kaken
Het kan
niet duren

De ruimte herwonnen
Op het gedruis
Het verstand verlossend
Uit het gevang

Hoe goed
de rust

Alexandra van der Stap 2007

zondag 4 maart 2007

Avonturen in een wijnland (III): Vrijproeverij

De man richt zich op. Inspecteert zijn handen. Kleine spatjes bloed kleuren de groeven, laten rode sporen na. Hij trekt een grove, ietwat vale zakdoek tevoorschijn en veegt zijn palmen schoon. Vervolgt zijn weg. Loopt over het zandpad, een van de velen, in een rechte lijn aangelegd over de krommende heuvels. Ziet de ranke planten, zij aan zij opgesteld, zich voedend aan de rijke grond. Zich vast klampend aan een lange rij stokken, net een paar weken geleden door hemzelf liefdevol vastgebonden. Hij inspecteert ze, geconcentreerd nu. Dauw heeft zich op de jonge bladeren verzameld. De zon wordt weerspiegeld in duizenden druppels. Een samenzang. De lente is voelbaar in de lucht. Nog even en de vruchten zullen beginnen te groeien. Nog even en het leven zal te voorschijn komen. Zal zich beginnen te ontwikkelen. Nog even.

Vergeten zijn de problemen, de ruzies met zijn grootvader. Dit is waar het om gaat. Dit moment. Dit is waar zijn hart volstroomt.


Een maand of zes na de belevenissen bij ons eerste wijnchateau is het voorjaar in volle gang. De zon schijnt lustig, het gras is groen, en de, jawel, vogeltjes zijn druk in de weer met nesten bouwen en voor nageslacht zorgen. Op deze bijna zomerse zaterdag in mei is het feest voor de ware, en ook de ontluikende, wijnliefhebber. Wat het is tijd voor de caves ouvertes. De traditie in het Zwitserse canton van Genève, aangrenzend aan onze Haute Savoie, bestaat in 2007 twintig jaar. Op deze dag openen een kleine honderd caves, chateaux en domaines hun deuren voor het grote publiek. Overal kan gedronken, geproefd en gekeurd worden. Gratis. Voor hapjes wordt ook gezorgd. En de meeste gelegenheden vergeten ook de muziek niet: de plaatselijke blues, jazz of fanfarebands doen goede zaken. Zo viert men de oogst van het voorafgaande najaar. En probeert deze te promoten, dat ook.

Van dit alles weten wij op het tijdstip van dit verhaal nog niets, en onbekommerd lopen we door een winkelstraat als de telefoon gaat. Vriendelijke stemmen schallen ons tegemoet. We moeten ogenblikkelijk in ons autootje stappen om richting Satigny, een van de bekendere wijndorpen rond Genève, te rijden. Op de achtergrond een hoop lawaai: gepraat, gezang, instrumenten. Horen we daar glazen rinkelen? Dat klinkt als gezelligheid! We zijn overgehaald en de Twingo mag weer aan het werk.

Na de saaie buitenwijken van de stad achter ons gelaten te hebben begint de invloed van de Rhône aan kracht te winnen en verovert de natuur terrein. Grijze betonnen woonoorden maken plaats voor uitgestrekte velden, glooiende heuvels en dichte bossen. Even verderop verdwijnen de bomen op de achtergrond en verschijnen vele hectaren wijnranken. En op hetzelfde moment, ook de bezoekers. In luchtige kleding lopen zij over de smalle paadjes. Auto’s staan overal geparkeerd. Kinderen rennen schaterend rond. Vrolijke klanken weerklinken. We zijn er! Het Franse vervoermiddel stelt geen al te hoge eisen en een parkeerplekje is rap gevonden.

We lopen over de afgesleten keien de toegangspoort door. Hier is het al niet veel anders, de muziek alleen wat luider wellicht. Onze vrienden vinden we op een geruit picknickkleedje onder een imposante eik. Ze hebben al wat vooronderzoek gedaan, en de glazen staan te wachten. Inderdaad, knikken we, niets mis mee, met deze Pinot Noir. Even later begeven we ons naar de cave van het domein waar het, inmiddels wat bekendere, ritueel van het wijnproeven begint. Met als enige verschil dat het wat hectischer is allemaal. Toch vinden we wel enige variëteiten die ons kunnen bekoren, en slaan we gretig onze slag. Want dat is natuurlijk wel de bedoeling van het vrijproeven van vandaag. Maar de kunst van de wijnmakerij verstaan ze óók in Zwitserland, dus het is geen bezwaar. Zeker niet zelfs.

Tevreden zakken we weer neer in het gras. Na gedane arbeid is het goed rusten. De net geopende fles zetten we naast ons. Kaas en brood erbij. We zien de zon langzaam aanstalten maken om achter de bergen wegzakken. Schenken nog maar eens in. Proosten op het leven. Op de toekomst.

Lichtelijk aangeschoten slepen we ons aan het eind van de dag onze buit naar de auto. De trouwe Twingo staat ietwat eenzaam te wachten op het smalle weggetje. Her en der bevindt zich nog een ander gezelschap, de man steevast met een stapel koopwaar in karton of hout voor zijn beuk balancerend, de vrouw met de kinderen aan de hand. Vlug deponeren we de dozen in de achterbak, kleedje erover heen. Nu nog even de grens over. En de grens, dat wil nog wel eens hindernis zijn. Het blijft altijd spannend: houden ze ons aan of niet? En vragen ze dan alleen om een paspoort, of staan de speurhonden al op scherp? We zijn ver over te toegestane limiet van twee flessen wijn per persoon. Maar de Zwitserse douane lijkt ook aangeraakt te zijn door deze perfecte dag en laat ons met rust. Zo ook de Franse. En vrolijk tuffen we in de schemer huiswaarts.

Gisteravond ontkurkten we in Nederland het laatste overgebleven flesje van deze dag, drie jaar later prima op smaak. Lichte weemoed verspreidde zich door de lucht. En stroomde in de glazen. Gezondheid!

Wordt (wellicht) vervolgd…

Voor informatie over de caves ouvertes en een sfeerbeeld, zie hier:

In de serie Avonturen in een wijnland verscheen ook:

Fijnproeverij (1 maart 2007)
Blindproeverij (27 februari 2007)

donderdag 1 maart 2007

Avonturen in een wijnland (II): Fijnproeverij

De man loopt de trap af. Zet zijn voeten op grote grove stenen. Geen enkele is het zelfde. Ogenschijnlijk lukraak naast en op elkaar gezet, eeuwen geleden, tezamen een geheel vormend. Bijeengehouden door het verstrijken van de tijd, om hem nu, vandaag, als trap te dienen. En gisteren. En morgen. En, hopelijk, nog vele dagen in de toekomst. Zijn gedachten zijn namelijk elders. Bij zijn grootvader die niet wil instemmen met zijn voorzichtig geopperde plannen. Die hem hierin niet kan volgen. De tijden veranderen, voor hem, voor zijn pasgeboren zoon. Voor de eigenaars van het andere landgoed in de vallei, de buren. En mededingers. Maar niet voor zijn grootvader. Deze leeft nog in een verloren wereld. Het oude huis dreigt te vervallen. Behoeft dringend onderhoud. De manshoge vaten vallen ten prooi aan de ouderdom, staan op het punt het op te geven. De vermoeide wijnstokken leveren niet genoeg meer op om uit de kosten te komen. Andere methodes zijn nodig. Vernieuwing op kleine schaal. Met oog voor traditie moet hij zich aanpassen. Anders zal het erfgoed in de vergetelheid raken. Zal de toekomst van zijn zoon verloren gaan. Zal hij naar de stad moeten trekken.

Hij let niet op. De loszittende steen beweegt onder zijn gewicht. Zijn voet glijdt weg, hij wankelt even. Zijn handen grijpen de overhangende struik. Vangen zijn gewicht op. Doornen snijden zijn huid open. Hard. Meedogenloos. Voor de tweede keer weerklinkt een zachte vloek.

Het wijnproef avontuur op het buurtfeest verliep verder voorspoedig. Gebroederlijk dronken wij met de pleinbewoners en lalden we mee in het Frans. Want Engels, daar had men weinig mee. En allen riepen nu te pas en te onpas Côtes du Rhône. Het werd zo gezellig, dat op een gegeven moment het halve plein met kleding en al in het zwembad belandde. Wel ja. En wie niet in het water lag, of al te snel weer was opgedroogd, kon hier niet lang van genieten: daar zorgden de lieftallige buren wel voor. Een grote plons volgde. Gelukkig was het een zonnige dag in juli.

Tijdens ons verblijf in Frankrijk mochten wij ons verheugen op een gestage stroom bezoekers uit Nederland. Grappig, hoe populair je opeens wordt als je in het buitenland woont. Familie en naaste vrienden, maar ook verre kennissen wisten ons te bereiken. En nieuwe kompanen waren ook verrassend snel gevonden. Men kwam in de winter, om gebruik te maken van de witte hellingen, en in de zomer, om zich te warmen aan de Franse zon. En velen waren ook wel geïnteresseerd in de wereld van de wijnen. En de Franse varianten genoten, alle ophef over de nieuwe wereld ten spijt, over het algemeen de voorkeur. Voor de visite was het bezoek dan ook een uitgelezen gelegenheid om eens een echt chateau te bezoeken.

Eerst maar eens advies in gewonnen bij al wat beter ingeburgerde collega’s. Waar heen te gaan met onze geëerde gasten? Wie heeft er nog een leuk adres, een gouden tip, waar gegarandeerd goede wijn gemaakt wordt? Waar we mee voor de dag konden konen? Want door de mand vallen, wij als wereldburgers, als kenners van het goede leven, wilden we liever niet. Door de façade mocht niet heen geprikt worden.

Op een zaterdag in december propte iedereen zich in de auto. Het was zo’n dag waarop de kou de botten bevroor. En verstijfde. We gingen op pad. Op wijnexpeditie. De Twingo, bergkarretje bij uitstek, zwoegde zich tuffend over steile paadjes en langs diepe afgronden. Onvervaard ploegde zij voort. Opeens waren we omringd door een zee van wijnranken. Kaal, want de oogst was al lang en breed binnengehaald. Een ietwat gebogen man liep langs de kant van de weg, keek nors op, verstoord door de herrie. In de verte doemden de donkere contouren van het kasteel al op. En werden groter. En groter. Enige nervositeit maakte zich van ons meester. Wat gingen we doen, daar? Wij, als Hollanders, in het hol van de leeuw, bewaakt door de Franse wijnboer. Uitgelachen zouden we worden, bespot, weggehoond. Misschien bezat de kasteelheer nog wel een oud jachtgeweer. Misschien had hij een aantal agressieve honden om zijn terrein te bewaken. Misschien…

Vastbesloten om de schijn op te houden en ons indien nodig achter onze gasten te verschuilen, vermanden we ons zelf en draaiden zelfbewust het terrein op. Grind knarste. Een hond blafte. Dus toch… Waar nu heen? We konden toch moeilijk recht voor het bordes parkeren. Ah, wacht! Een bordje! Met aanwijzingen voor de parkeerplaats. Aanwijzingen! Een goed teken. Dat betekende dat bezoek welkom was. Dat er een kans bestond dat ze ons niet gelijk de deur zouden wijzen. En op de parkeerplaats troffen we nog meer positieve signalen aan: er stonden nog een aantal autootjes. Klein, oud, en gebutst. Onze Twingo voelde zich al gelijk thuis.

Een volgend bordje wees ons de weg naar de cave. Geopend elke zaterdag van drie tot zeven. Dat was ook in ons voordeel: het was half 5. Niet te vroeg, niet te laat. Het bleek een licht verzakt, ruwstenen bijgebouw. Een zware deur, gemaakt van verweerd hout. Vol verwachting bewogen wij de klink naar beneden…

Een lucht zwaar van warmte, alcohol en verstreken tijd sloeg ons tegemoet. Veel hout. Krukken, een paar wankele tafeltjes. Stormlantaarns. Een knoestige bar. Hieraan drie mannen, verweerde gezichten, geruite trui, smoezelige broek van onbestemde herkomst, zwarte pet. Met een stuk of zes glazen voor zich. En een schaaltje met wat stukken lokale worst. Druk gebarend in gesprek. Duidelijk kind aan huis hier. In een hoekje een stel van middelbare leeftijd. Netjes gekleed. Hij rokend, zij voorzichtig nippend aan haar witte wijn. Waarschijnlijk ook voor het eerst hier.

De barman keek ons niet onvriendelijk aan en slingerde ons een woord van welkom toe. Op de toog lag een geplastificeerd papier. Hierop genoteerd de wijnen en prijzen. Een aantal variëteiten bleek reeds uitverkocht. Of we wat wilden proeven. Nou, dat wilden we wel…De jassen gingen uit. Glazen werden ingeschonken. Een bodempje slechts, want er was nog genoeg keuze over. Met een fijnzinnige uitdrukking namen we kleine slokjes. Lieten we de drank rondtollen. Bekeken we de kleur. De stroperigheid. Becommentarieerden we de afdronk. Om uiteindelijk met flink wat dozen onder de arm zelfvoldaan terug te keren naar de parkeerplaats. De ijzige plattelandslucht was welkom na het verblijf binnen. Het kasteel werd door vele lampen opgelicht in het donker. De hond bleek allervriendelijkst. De gasten waren tevreden, onder de indruk. Thuis trots een van de aankopen geserveerd. Deze proef hadden we mooi doorstaan!



Wordt (wellicht) vervolgd…


In deze serie verscheen ook:

Blindproeverij (27 februari 2007)

dinsdag 27 februari 2007

Avonturen in een wijnland: Blindproeverij

De man trekt zijn laarzen aan. Groene. Van rubber. De opgedroogde aarde valt naar beneden. Wat korreltjes rollen over de grond. De man veegt zijn handen af. Enige grijze strepen blijven achter op de overall. Zet zijn verfrommelde pet op. Duwt de houten duur open. Een zacht piepend geluid. Een muis schiet voor zijn voeten weg. Een binnensmonds gemompel. ‘Merde.’ Hij loopt het erf over, laat de kiezels kraken, langs de verlaten waterput. Houten vaten liggen her en der verspreid. Op sommige staat het familiewapen. Een jaartal. De stenen trap. En dan: het uitzicht. Glooiende velden. Allemaal van hem. Nou ja, op papier zijn ze van zijn grootvader. Maar toch: hij bewerkt ze, beamend ze, voedt ze elke dag. Laat ze voortleven. Bloeien. Rijpen. Dus van hem.

De mooie kunst van de wijnbouw. En het wijnproeven. Vooral het wijnproeven.

Enige jaren geleden, net een maand in Frankrijk aangekomen, vonden wij een uitnodiging in onze brievenbus. Een buurtfeest. Voor alle bewoners van het plein. Aanstaande zaterdag. Iedereen werd geacht om een gerecht te bereiden. En ook, natuurlijk, om een wijn uit te kiezen. Voor de blindproeverij. Het pleintje waaraan wij woonden heette le Verger du Vallon. De angst sloeg ons om het hart. Van wijn wisten we, net uit de Hollandse klei getrokken, hoegenaamd niets. Ja, of we iets lekker vonden of niet, dat wel. En dat je de meeste rosé zo jong mogelijk moet drinken. Maar tussen al die Franse experts zouden we meteen door de mand vallen. En goed ook.

Na een week lang met angstzweet rond gelopen te hebben, was ik eruit. We gooiden alles op het eten. Die wijn, ach, dat moest dan maar. Dus kilo’s verse vruchten aangesleept, aardbeien, frambozen, bramen, bessen. Verse volle yoghurt, de vetste slagroom. Siroop. Een nagerecht om je vingers bij af te likken.

Bewust lieten we het uur van aanvang voorbij gaan, om te vermijden de eerste te zijn, en door niemand aangesproken te worden. En ook vroegen we ons vertwijfeld af: zullen we wel, zullen we niet... Wat als we gewoon thuis blijven, met de luiken dicht…? Uiteindelijk beseften we dat we er echt niet onder uit konden en vertrokken we met lood in de schoenen, de zoete creatie pontificaal voor ons uit houdend. Eenmaal op het festijn gearriveerd, fashionably late dus, probeerden we de wijn zo achteloos mogelijk bij de andere flessen neer te zetten. In het tuinhuisje-annex-de-bar bij het zwembad. Dit waren duidelijk ook nog eens geen arme Verger-bewoners.

Helaas werd ons exemplaar al snel onderschept. Meewarig werd er met de tong geklakt. Een hoofd geschud. Ai ai ai. Het etiket was nog zichtbaar! Bij een blindproeverij! Dat hadden we al niet goed begrepen. We stonden één minuut na binnenkomst al 0-1 achter. Snel keken we om ons heen, op zoek naar een uitweg. Maar het hek zat muurvast. Krampachtig lachend maakten we aanstalten om ons aan onze nieuwe buren voor te stellen.

De Franse gebruiken bleken aan onze zijde. Want voordat men aan tafel gaat, wordt er eerst gedronken. Met volle overtuiging. Dus alle buren stonden al keuvelend glaasjes pastis weg te kegelen. Toen het voorgerecht. Wijn hierbij. Hoofdgerecht. Nog meer wijn. Andere wijn dan degene die klaar stond om de proeven, uiteraard. Toen werd het tijd voor de grand finale. De flessen in aluminiumfolie verpakt pontificaal op tafel. Mandje brood ernaast. Schone glazen. Water. Vlug onze strategie doorsproken: wat er ook gebeurt, we noemen alles Côtes du Rhône. Tenzij het zeker een Bordeaux is. En dan zeggen we er op geaffecteerde wijze Saint-Emilion bij.

Zo gezegd zo gedaan. Natuurlijk was Côtes du Rhône lang niet precies genoeg. Er moest ook nog een plaatsaanduiding volgen, een classificatie. En een druivensoort. Of meerdere. Enkele professionals wisten ook nog het jaartal. Maar wij hielden stug vol. Côtes du Rhône. Enkele glazen later: bien sure, Côtes du Rhône! De plezierig aangeschoten Fransen, want hier werd geen druppel wijn uitgespuugd, deden alras mee. Et les Hollandais…. Côtes du Rhône! En, als je het maar lang genoeg vol houdt, komt er op een gegeven moment ook een echte wijn van deze soort voorbij. Zo scoorden we toch nog een punt. Één punt. Op ca. vijfentwintig wijnen. Waar bij elke wijn drie of vier punten te verdienen waren. Want zelfs de Saint-Emilion, onze troefkaart, gooiden we op het verkeerde moment op tafel.

Nu, inmiddels weer lang en breed terug in Holland, heb ik een wijnencyclopedie cadeau gekregen. Een tijdje terug al weer, maar hij is nu pas geopend. Onlangs kocht ik een Chablis uit 2005 die mij wel prettig smaakte. Chablis, zo vertelt mijn naslagwerk, komt uit de Bourgogne. Ja zo ver was ik zelf ook al. Vier klasseringen: Petit Chablis, Chablis, Chablis Premier Cru, en, u voelt ‘m al aankomen, de Grand Cru. Aangezien nadere aanduidingen op het etiket ontbreken, ga ik er maar vanuit dat mijn wijntje van 6,99 een gewone Chablis is. Volledig ontwikkeld is deze pas na drie jaar, vermeldt de gids. Hmmm. Ik kijk naar de geopende fles. Zolang heb ik niet kunnen wachten…

Wordt (wellicht) vervolgd…

zondag 25 februari 2007

Talentenjacht Ontmaskerd (boekrecensie)

Veel is er al over geschreven en geklaagd: we worden doodgegooid met talentenshows. Figuurlijk, maar ik kan me voorstellen dat ook letterlijk mensen het leven laten als zij op gezette tijdstippen naar RTL4 kijken. RTL4, dat is namelijk de grote aanjager. Idols, Popstar-the Rivals, X-Factor. Het legt de zender geen windeieren: zij was het best bekeken station van 2006. Idols de meest populaire televisieshow. Om te voorkomen dat het publiek verzadigd raakt, gooien RTL4 en runner-up SBS6 nu her en der ook beroemdheden in de strijd: Dancing with the Stars, Dancing on Ice, Sterren dansen op het ijs… De laatste twee op hetzelfde tijdstip, zodat niets aan het toeval werd overgelaten. Naast een winnende deelnemer, moest en zou er ook een zegevierende zender tevoorschijn komen. Een voorlopig dieptepunt is Afvallen met sterren van SBS6. Nou ja sterren, de echte groten zie je in deze shows over het algemeen niet. Het zijn voornamelijk de wannabe’s, de hasbeens en de havenots. Zo ook in de realityshows waarin we getrakteerd worden op een (te) persoonlijk kijkje in het leven van onze ‘idolen’. Voeg hier nog een flinke dosis programma’s aan toe waar het publiek bepaalt wie er wint, zoals Big Brother, of waar de deelnemers elkaar weg mogen stemmen of treiteren, zoals De Gouden Kooi, en je hebt een vrij redelijke schets van het vaderlandse televisielandschap. En van het Nederlandse publiek. Tot zover, niets nieuws onder de zon.

In Engeland is het al niet veel anders. De Britse schrijver Ben Elton vroeg zich af, hoe het komt dat altijd degenen die je het minst sympathiek vindt, afvallen. En de leukste wint. Terwijl er objectief gesproken niet zoveel verschil tussen de kandidaten is. Soms kan de winnaar echt niet het best zingen of dansen. Vallen de kandidaten af omdat ze echt het minst getalenteerd of het vervelendst zijn, of zit er meer achter? Worden we niet gemanipuleerd, met z’n allen, iedereen die kijkt, iedereen die stemt, iedereen die meedoet zelfs? Hij schreef er een roman over. En na het lezen van dit boek kijkt niemand meer met dezelfde ogen naar enige talentenshow of realityserie. Beloofd!

Hier weer de belangrijkste ingrediënten:

1. Het boek

Het gaat om de roman Chart Throb, van de hier boven genoemde Ben Elton. Er is (nog) geen Nederlandse vertaling, dus het lezen moet in het Engels. Nu lees ik altijd zoveel mogelijk Engelstalige boeken in de oorspronkelijke taal, teneinde me niet aan vertalingen te hoeven ergeren, of bang hoeven te zijn dat de fijne nuances in het Nederlands verloren zijn gegaan. Chart Throb verscheen in het Verenigd Koninkrijk in november 2006. Ik pikte de airport edition van 427 pagina’s begin dit jaar op tijdens een reis naar Londen, op een vliegveld. Op deze manier verkrijg ik veel van mijn boeken: ik herkende de schrijver en de flaptekst sprak me aan. Het boek is in Nederland onder andere te verkrijgen via Bol.com en Amazon.

2. De schrijver
Ben Elton is een grote naam in Engeland. Hij schreef mee aan vele komische televisieseries, zoals The Yong Ones, Blackadder, en The Thin Blue Line. Ook heeft hij drie succesvolle toneelstukken op zijn naam staan die in West End gespeeld zijn, net als drie musicals, waaronder We Will Rock You samen met Queen. Hij schreef en regisseerde de film Maybe Baby. In totaal publiceerde hij tien romans. Ik las eerder High Society (2002) en The First Casualty (2005). High Society heeft als thema dat de oorlog tegen drugs verloren is, en dat iedereen, de politiek incluus, maar beter aan dat idee kan wennen. The First Casualty is een historisch drama dat zich afspeelt tijdens de Eerste Wereldoorlog, en verkent de grenzen tussen legaal en illegaal moorden. Van beide boeken heb ik genoten, de boeken grepen me vast en lieten me achter met stof tot nadenken. Dat is precies wat ik van een boek verlang.

Een echte homepage heb ik niet gevonden, wel enkele fansites en interviews. Wikipedia meldt dat Elton geboren is in 1959 en zowel de Engelse als, een zeer actueel onderwerp in Nederland, Australische nationaliteit bezit. Ook wordt duidelijk dat hij zijn carrière begonnen is in de stand-up comedy. Op de Nederlandse versie van Wikipedia valt nog te lezen dat hij van Joodse afkomst is en dat zijn ouders in 1938 Nazi-Duitsland ontvluchtten en naar Engeland trokken.

Uit de literature map komt niet echt een auteur te voorschijn die heel dicht in de buurt van Elton ligt. Wel herkennen we hier op enige afstand namen als Stephen Fry, Fay Weldon, Michael Moore, Terry Prachett, Ian McEwan, Jonathan Coe, Bill Bryson en, dichter bij huis, Herman Brusselmans. Amazon vertelt dat klanten die Chart Throb kochten, ook interesse hadden in de andere boeken van Elton. Dit helpt ons niet zo veel verder. Iets nuttiger is de naam van Stephen Fry, die hier ook weer voorkomt. En Nick Hornby. Fry ken ik van The Stars’ Tennisballs, en van Liar. Hornby’s High Fidelity is verfilmd met Hugh Grant. Beide zijn schrijvers die een satirische kijk op de maatschappij in hun boeken weergeven, en hiervoor populaire ingrediënten gebruiken als muziek, films, televisie, sterrendom, en drugs. In deze hoek moeten we Elton dus zoeken.

3. Waar het boek over gaat
Throb betekent een regelmatig kloppen, pulseren. Heart-throb is letterlijk hartslag, maar ook een benaming die vaak gebruikt wordt voor mannelijke acteurs en zangers die aantrekkelijk worden gevonden, publiekslievelingen zijn. Chart Throb is de naam van de talentenjacht in het boek, en staat dus voor zoiets als de aanvoerder van de hitlijsten, maar misschien nog beter de aanjager, de stuwende kracht. Verder luidt de promotietekst van de uitgever, welke mij aanspoorde om het boek te kopen, als volgt:

Chart Throb. The ultimate pop quest. Ninety five thousand hopefuls. Three judges. Just one winner. And that’s Calvin Simms, the genius behind the show.

Calvin always wins because Calvin writes the rules. But this year, as he sits smugly in judgement upon the mingers, clingers and blingers whom he has pre-selected in his carefully scripted ‘search’ for a star, he has no idea that the rules are changing. The ‘real’ is about to be put back into ‘reality’ television and Calvin and his fellow judges (the nation’s favourite mum and the other bloke) are about to become ex-factors themselves. Ben Elton, author of Popcorn and Dead Famous returns to blistering comic satire with a savagely hilarious deconstruction of the world of modern television talent shows.

Chart Throb. One winner. A whole bunch of losers.

4. Wat anderen er al over geschreven hebben
Chart Throb is, voor zover ik kan nagaan, nog niet in Nederland gerecenseerd. In Engeland wordt enthousiast de link gelegd met de talentenshows daar te zien, inderdaad, Idols en X-Factor. En de overeenkomsten met de echte presentatoren en juryleden. Met name Simon Cowell, jurylid in Idols en eigenaar van en jurylid in X-Factor. Net als Calvin in het boek. Cowell schijnt zelf toegeven te hebben dat Chart Throb verrassend accuraat is. De recensenten vragen zich dan ook af, hoe het mogelijk is dat wat Elton, ogenschijnlijk zonder veel meer onderzoek dan oplettend televisie kijken, ontmaskert, zo voor de hand ligt en tegelijkertijd zo onbekend was. De televisie-machinerie doet zijn werk blijkbaar uitstekend en draait ons allemaal een rad voor de ogen.

5. Wat ik er van vond
Als ik elk boek dat ik las zo uitgebreid zou bespreken, zou ik geen tijd meer over hebben om boeken te lezen… Ergo: ik schrijf alleen over boeken die ik de moeite waard vind. En dat vond ik Chart Throb absoluut. Elton schetst een beeld van de huidige entertainment industrie dat niet fraai is. Ontluisterend. Zwart. De talentenjacht staat centraal, maar een belangrijke bijrol wordt vervuld door de wereld van de celebrity realityshows. Hoe, wederom, derderangs of vergeten beroemdheden trachten om hun naam te maken, op te vijzelen, door hun leven op TV ten toon te stellen. Schaamteloos. Niets ontziend, ook niet het leven van kinderen of partners. De Osbournes komen voorbij. En ook hier blijkt men naar hartenlust te manipuleren. Elton geeft de Prince of Wales een meesterlijke bijrol. De producenten, managers en netwerkbazen trekken aan de touwtjes. Het doel is om Prins Charles, een onwaarschijnlijke, aanvankelijk zeer onpopulaire kandidaat van middelbare leeftijd, als winnaar uit de bus te laten komen. His Royal Highness wordt His Rockin’ Highness. Niets is echt. Niets is toevallig.

Elton laat de lezer nadenken over de wereld van de televisie als geheel, waarin niets is zoals het lijkt. Waarom kijken mensen? Waarom laat de kijker zich zo bewust voor de gek houden? En wie is uiteindelijk de winnaar? Vele Idols, The Rivals, en X-Factor winnaars verdwenen in de vergetelheid, of staan op het punt om hierin te verdwijnen. En als de lezer goed nadenkt, is er geen andere conclusie: het kan inderdaad ook niet kloppen. In Nederland, hoewel minder dan in het Verenigd Koninkrijk, schijnen er ook duizenden aanmelding voor Idols te zijn. Per jaar. In 2003 waren het er 16731. Zouden die allemaal voor de drie-koppige vakjury hun kunstje mogen vertonen? Zoals Elton een van zijn karakters laat berekenen: dit zou inhouden, bij een ratio van vijf minuten per kandidaat, twaalf per uur, dat de jury (16.731/12) = 1394 uur per jaar hier mee bezig zou zijn. Ruim 170 volledige werkdagen zonder pauze. 35 weken aan één stuk jureren. Vergeet het maar.

Chart Throb geeft de ultieme inkijk in de wereld van de talentenshows en reality programma’s. En laat me afvragen: waar wordt het publiek nog meer gemanipuleerd en voor de gek gehouden? Wat is nog wel echt? Het is te hopen dat het niet allemaal zo werkt, dat Elton het schromelijk overdreven heeft. Het is tenslotte satire. Maar ik vang wel eens iets op uit de Nederlandse televisiewereld en ben er dan ook niet zeker van. Een ding weet ik wel: waar het allemaal heen gaat, belooft niet veel goeds.

Tenslotte
Geen van de boeken van Ben Elton lijken beschikbaar te zijn in een Nederlandse vertaling. Terwijl deze toch ook de potentie hebben om de vaderlandse lezers aan te spreken. Zeker de wereld in Chart Throb gerelateerd is aan onze samenleving. Een gat in de markt, wellicht!



Over de rivaliserende ijsdansshows schreef ik eerder een opiniegedicht.

vrijdag 23 februari 2007

Roomservice IV - Chai Latte

Woensdag verloopt onder een gunstiger gesternte. De zon schijnt en doet zowaar Docklands in een vriendelijk licht uitkomen. Vogeltjes fluiten. Helaas kan ik er niet van blijven genieten: er is werk aan de winkel. Ik ga op pad. Ik worstel me door het drukke verkeer.

Dit verkeer is trouwens, congestion charge of niet, een immer aanhoudende ramp. Niemand lijkt zich er iets van aan te trekken dat hij/zij nu acht pond per dag moet betalen voor het rijden in het centrum van Londen. In het begin was er een kleine dip zichtbaar, maar inmiddels heeft de stroom auto’s zich hersteld, is zelfs waar mogelijk nog aangegroeid. Vult elk gaatje, elke open ruimte, elke ademtocht. Uitlaatgassen, getoeter, opstoppingen, aanrijdingen, boze gebaren, het is er allemaal nog steeds. Men tuft vrolijk door. Logisch ook, als je bedenkt dat iedereen die zich binnen de zone een appartement kan veroorloven, hier minstens tweeduizend pond per maand voor moet betalen. Voor twee kamers. Om over een huis maar niet te spreken. Daar kan die heffing ook nog wel bij. Ondertussen is de gebruikersbelasting natuurlijk wel een mooie melkkoe voor de gemeente geworden.

Ik ga mijn afspraken af. Ontmoet mensen. Praat. Ik drink een chai latte bij de Starbucks. Verlies me even in de smaak. Vraag me af waarom deze eigenlijk alleen in Londen zo goed bevalt. Geef toe aan de verleiding. Eet een cinnamon swirl. Neem de ferry over de rivier. Loop een stukje langs het water. Zie de eenzame hardloper. Hij ziet er niet gelukkig uit. Maar er blijkt hoop te zijn. Ook voor hem. Juist voor hem.

Teruggekomen in het hotel is er nog meer goed nieuws. Niet alleen doet mijn 24-uurs internet connectie het nog een paar uur zonder dat ik bij hoef te betalen, ook blijk ik gisteren niet goed gekeken te hebben. Waarschijnlijk was ik murw gebeukt door de reis, en hadden het oponthoud van acht uur op Schiphol, de vlucht, en vervolgens nog de rit naar Docklands mijn hersenen enigszins vertroebeld. Want na nog eens goed alle losse papiertjes in de kamer bekeken te hebben, kwam ik toch nog, jawel, een roomservice menu tegen! Hoera! En dit menu bleek zelfs bestand tegen vegetariërs. Dat is toch wel een groot pluspunt van Londen ten opzichte van andere steden, zoals Parijs of Milaan: aan de niet vlees-eters is duidelijk gedacht. Vegetarische burgers, pasta’s, pizza’s, en risotto. Chinese tomatensoep. Helaas is niet alles te krijgen maar dat mag de pret niet drukken. Genoeg ingrediënten om een avondje bloggend door te brengen. En dat doe ik dan ook. Met verve.


In deze serie verschenen ook:

Roomservice III - Indefinite Delay (20 februari 2007)

Roomservice II - Mojita's (31 januari 2007)

Roomservice I - Entertain Me (30 januari 2007)



woensdag 21 februari 2007

De Lach

Een man loopt over de kade. Alleen, grijze trainingsbroek, wit T-shirt, grijs haar, witte sportschoenen. Een duur merk. Rimpels rond zijn ogen, groef in het voorhoofd. Hij loopt hard, rug nat van het zweet. Een zorgelijke uitdrukking. Denkt misschien aan zijn dochter van vijftien, die van school af wil om naar India te vertrekken. Aan zijn oudste zoon die hij, sinds deze met zijn gitaar op zijn rug en twee spijkerbroeken in een tas wegliep, niet meer heeft gezien. Aan zijn vrouw die er niet meer tegen kan en aan de valium zit. Al drie jaar. Hij is afgeleid, niet geconcentreerd op het lopen zelf. Op waar hij zijn stappen neerzet. Zijn voet raakt een losliggende steen, hij struikelt. Vloekt binnensmonds. Zijn blik raakt zijn schoenen. Bukt. Strikt zijn veters.

Hij kijkt op. Ziet het water. Hierin zijn eigen weerspiegeling. De rimpelingen. Het is windstil. Hij kijkt nog eens. Wat beweegt daar? Daar recht voor hem? Het lijken wel… De zon raakt zijn gezicht aan. Een schuchtere lach staat op het punt zich te verspreiden. Hij zet zich op het gietijzeren bankje neer. Tuurt naar het kanaal. De lach breekt nu door. De grijze man voelt het leven. En dat het mooi kan zijn, toch nog, soms, ook voor hem.

De moeder trekt zich niets van hem aan. Zij leert haar kleintjes zwemmen. In februari.

Roomservice III - Indefinite Delay

Vanochtend ging ik goed gemutst op pad naar Schiphol. De griep probeerde mij al enkele dagen in zijn greep te krijgen maar tot nu toe was ik ontsnapt. Ook had ik bewust niet de vroegste vlucht van zeven uur genomen. Want zeven uur, dat betekent om zes uur op Schiphol. Dus om half vijf opstaan. Ik ben niet zo goed in ochtenden dus dat probeer ik koste wat kost te vermijden. Het lukt helaas niet altijd. Dan gaat de wrede wekker midden in de nacht af, na slechts enkele uurtjes slaap. Want om negen uur ’s avonds in slaap vallen kan ik wel vergeten. Eerst ben ik gedesoriënteerd. Wat is er? Wat gebeurt er? Waar ben ik? Wat moet ik? Doe dat geluid weg! Snel! En sla ik hardhandig de snooze-knop in. Maar terwijl het apparaat handenwrijvend wacht op nog een brulactie begint het ergens te dagen. Er was een reden voor die wekker. Ik moet op pad. En ik worstel me langzaam uit bed. De geest is nog troebel. De ledematen blijven tegenstribbelend wat achter, rekken nog wat tijd, voelen de warme dekens. Maar nee, het gaat echt gebeuren. En ik zet de douche maar aan.

Als ik vervolgens op dit onheilspellend vroege uur buiten kom, verwacht ik de enige te zijn. Verwacht ik dat alles muisstil en verlaten zal zijn. Maar nee hoor! Hele hordes mensen zijn dan al op pad, colonnes auto’s bewegen zich over de wegen, staan zelfs al in de file. Dan ben ik steevast teleurgesteld. Mijn heroïsche acties deel ik met vele anderen.

Voor vandaag had ik het dus rustig aangedaan en mezelf een late vlucht cadeau gegeven. Laat, dat wil zeggen om half elf de deur uit. Hier zou ik al gauw spijt van krijgen.

Op Schiphol is mijn eerste blik voor de monitoren met vertrekinformatie. Vlucht VG227 naar London City: indefinite delay. Voor de niet-reizigers onder u: dat betekent weinig goeds. Dat betekent dat het zo erg is, dat men geen idee heeft wanneer je weg kan, dat het zelfs onzeker is of je überhaupt nog wel vertrekt. Dat betekent dat de moed je in de schoenen zakt en over de grond weg rolt. Dat betekent dat je beter in je bed had kunnen blijven. Het wordt niets meer vandaag.

Schoorvoetend toch maar naar de incheckbalie. Terwijl ik wacht wordt duidelijk dat dit vliegtuig in ieder geval niet meer vertrekt. De dame vertelt dat de landingsbaan sinds een uur of negen, tien bezet wordt gehouden door een Air France vliegtuig met vier lekke banden. Vier! Dat moet geen prettige landing zijn geweest. Dat vliegtuig zal flink over de baan hebben gestuiterd.

De tickets worden omgeboekt naar de volgende vlucht, twee uur later. Dus drie uur zoet te brengen op Schiphol. In je eentje. Maar ik heb een boek in mijn tas en mijn computer mee dus het zal wel lukken. Eerst maar eens een rustig plekje opgezocht. Dat valt nog niet mee. Uiteindelijk in een lege vertreklounge gezeten. Onder de luidspreker. Waar continu op vol volume een schelle stem boodschappen uitschalt: 'Mrs. X you are delaying your flight…Mr. Y please proceed to the airline information desk… Smoking is only allowed in the designated areas... New rules for liquids…Beware of pickpockets… '

Deze laatste verzin ik er misschien zelf bij. Maar er is geen ontkomen aan: de helse speaker achtervolgt me overal. Na anderhalf uur kan ik er niet meer tegen en heb ik een bonkende koppijn. Helaas is de marteling nog lang niet afgelopen. Want na het pre-boarden (eindelijk een aankondiging van belang!) blijven we vrolijk nog een uurtje of wat zitten in de te krappe pre-board ruimte zonder eten, drinken of toilet, totdat blijkt dat ook deze vlucht geannuleerd is. Allemaal in de rij bij de balie aan de gate, niemand weet iets, tickets omgezet naar de volgende vlucht.

Waar, u raadt het al, zich hetzelfde ritueel alras herhaalt. Inmiddels zit ik al zeven (!) uur op Schiphol te wachten op een vlucht naar Londen van vijftig minuten. Tja ik had het al eerder op kunnen geven, maar constant werden wij passagiers zoet gehouden met beloftes dat het vliegtuig nu toch echt zo wel zou vertrekken. Even wachten nog. En dan wacht je: wanneer neem je de beslissing om een andere strategie te volgen, hiermee toegevend dat al je wachten vergeefs is geweest?

Uiteindelijk kan men dit niet meer volhouden en geeft de luchtvaartmaatschappij zich gewonnen. We (intussen is er een soort van saamhorigheidsgevoel ontstaan tussen de sukkels van reizigers onderling) kunnen naar een ander Londens vliegveld vliegen. Helaas met een andere luchtvaartmaatschappij, dus is het noodzakelijk eerst de bagage op te halen, vervolgens met bagage naar de ticketdesk in de incheckruimte te gaan, hier weer achter elkaar aan te sluiten, en zo het ticket om te boeken. Terwijl we met koffers zo’n veertig minuten in de rij staan wordt de juffrouw achter de balie gebeld. London City is vrij, passagiers die zich nog bij de gates bevinden kunnen binnen 10 minuten vertrekken….Nee! Nee! Na acht lange uren wachten ben ik te ver verwijderd om dit ooit te halen! Nu ga ik dus mee met een latere vlucht naar Heathrow, waarvandaan ik nog anderhalf uur reistijd heb om weer in de buurt van City te komen. Ik moet immers naar Docklands. Het leven is niet eerlijk! Hier betalen ze me niet genoeg voor.

Moegestreden kom ik na een reistijd van twaalf uur, waarin ik makkelijk Zuid-Amerika of Hong Kong gehaald zou hebben, aan in de sprankelende omgeving van Docklands. In een hotel waar ik nog niet eerder geweest ben. Er is maar één ding in mijn gedachten: op bed liggen met een enorme hoeveelheid vet eten. De afstandsbediening. Een wijntje. En chocolademousse. Speurend kijk ik de kamer rond. Doe ik de wankelende kast open. Geen minibar. Geen kluis. Geen entertainment menu. Langzaam begint het me te dagen. Misschien was er een reden waarom dit hotel nu opeens door mijn beknibbelende werkgever aangeprijsd werd! En inderdaad, ook een roomservice menu ontbreekt. De ellende is compleet. Middernacht in Docklands. Uitgewrongen. Een hele dag gereisd voor nada. En niets te bestellen. Dan maar het complimentary biscuit. En een blogje. Want internet, dat is er dan weer wel…