Een vrouw trekt de deur dicht. Ze lijkt jong nog, zo van een afstand. Slank. Licht gespierd. Het haar in een staart. Ze heeft een fles water in de hand, neemt een laatste slok, aarzelt, zet het in de voortuin neer. Voor straks, voor het uitlopen. Ze strikt haar veters nog eens. Legt een dubbele knoop. Trekt haar sokken op. De in wit gehulde enkels steken af tegen haar blote huid. Stoere schoenen, zwart en grijs. Dichterbij verraden haar ogen dat ze meer gezien heeft dan ze op het eerste gezicht prijs geeft. Dan ze prijs wil geven.
woensdag 14 maart 2007
De Pauze
dinsdag 13 maart 2007
Avonturen in een wijnland IV: Rondproeverij
Een hond rent naar buiten. Blaft. Rent over het plateau. Werpt een halfvergane mand omver. De man begint te schreeuwen, bedenkt zich, houdt zich in, loopt naar de hond toe. Geeft hem een ruwe aai over de kop. Het is een mooie dag vandaag.
Wordt (wellicht) vervolgd…
Fijnproeverij (1 maart 2007)
Blindproeverij (27 februari 2007)
maandag 12 maart 2007
The Waterboys – Het Paard 11 maart 2007 – Recensie
Den Haag. De naam alleen al roept een vloed aan herinneringen op. Jeugdherinneringen. Opgegroeid onder de rook van de stad – of dorp, hier zijn de meningen nog altijd over verdeeld – bracht ik er een groot deel van mijn tienertijd door. Later, toen ik in Rotterdam studeerde, gaf ik na een jaar mijn woonruimte in de Maasstad op en betrok twee kamers in de Residentie. Hier bleef ik evenwel ook niet lang, want ongedurigheid heeft zich diep in mijn karakter verankerd. Dan ging ik weer eens naar het buitenland of een poosje terug naar Rotterdam. Maar op een gegeven moment kwam ik vanzelf weer in Den Haag terecht. Totdat Amsterdam zich aandiende, en ik met die stad als basis voor kortere of langere perioden in het buitenland verbleef. Naar Den Haag ben ik niet veel meer teruggegaan.
Het doel van deze avond was het optreden van The Waterboys. Ja, misschien moet u nu diep graven in het geheugen. Opgericht aan het begin van de jaren tachtig, maakte deze band furore met hits als A Girl Called Johnny en The Whole of the Moon. In 1993 ging de groep uit elkaar, maar voorman Mike Scott pikte de draad in 2000 weer op en violist Steve Wickham doet sinds die tijd weer mee.
Het concert was uitverkocht. Het publiek verrassend divers: zeker, vele krasse rockers uit de begintijd, maar ook jongere hoofden waren er volop te onderscheiden. De band begon, zonder de versterking van een voorprogramma, precies op tijd met materiaal van hun nieuwste album. En wist de aandacht te trekken. Een nog jong ogende Mike op zang en gitaar en Steve in een soort glimmende vaudeville jas op viool vormden duidelijk de ruggegraat van de groep: zij speelden samen, draaiden tegelijk pirouettes, raakten eensgezind verstrikt in de snoeren. De rest van de band volgde. Het resultaat was een goed lopend muzikaal samenspel, sterk leunend op repeterende melodielijnen. Vanaf het openingsnummer stond het publiek mee te deinen. De teksten van het nieuwere werk waren niet al te ingewikkeld en werden al snel meegezongen. Dat geeft meteen ook wel een zwakker punt weer: het was af en toe wat al te simpel. Wat al te veel neigend naar jaren-tachtig stadionrock. Wat al te veel Europe. Gelukkig keerde Scott na niet al te lange tijd weer terug naar zijn met Pan-dwepende alter ego die lyrisch het publiek bespeelde. Als een soort rattenvanger van Hamelen stond hij op het podium, zweepte onderkoeld zijn publiek op, zeer zelfverzekerd en vooral ook zeer Brits. Maar geen moment kregen de toeschouwers het idee dat hij er louter en alleen stond om geld te verdienen. Zeker de wisselwerking met Wickman sprankelde van een jeugdig plezier.
De band keerde na een korte pauze terug voor de toegift. Het publiek schreeuwde om de twee bekende hits, verwachtte ze, eiste ze bijna, maar Scott gaf geen krimp. Waar hij bij eerdere concerten, zoals in 2001 in Paradiso, nog wel braaf het oude materiaal ten gehore gaf, sloeg hij het nu over. En dat was niet geheel onprettig.
vrijdag 9 maart 2007
Estrapade
De stilte beklemmend
Om de hoek
De angst gespannen
Op de loer
Bang voor
jezelf
Volume open
Volg de beelden
Schakel sneller
reflectie
Verdruk het denken
Vul de leegte
Ontken de geest
de mens
Te veel, te vol
Kloppende slapen
Klappende kaken
niet duren
Op het gedruis
Het verstand verlossend
Uit het gevang
Hoe goed
de rust
zondag 4 maart 2007
Avonturen in een wijnland (III): Vrijproeverij
De man richt zich op. Inspecteert zijn handen. Kleine spatjes bloed kleuren de groeven, laten rode sporen na. Hij trekt een grove, ietwat vale zakdoek tevoorschijn en veegt zijn palmen schoon. Vervolgt zijn weg. Loopt over het zandpad, een van de velen, in een rechte lijn aangelegd over de krommende heuvels. Ziet de ranke planten, zij aan zij opgesteld, zich voedend aan de rijke grond. Zich vast klampend aan een lange rij stokken, net een paar weken geleden door hemzelf liefdevol vastgebonden. Hij inspecteert ze, geconcentreerd nu. Dauw heeft zich op de jonge bladeren verzameld. De zon wordt weerspiegeld in duizenden druppels. Een samenzang. De lente is voelbaar in de lucht. Nog even en de vruchten zullen beginnen te groeien. Nog even en het leven zal te voorschijn komen. Zal zich beginnen te ontwikkelen. Nog even.
Een maand of zes na de belevenissen bij ons eerste wijnchateau is het voorjaar in volle gang. De zon schijnt lustig, het gras is groen, en de, jawel, vogeltjes zijn druk in de weer met nesten bouwen en voor nageslacht zorgen. Op deze bijna zomerse zaterdag in mei is het feest voor de ware, en ook de ontluikende, wijnliefhebber. Wat het is tijd voor de caves ouvertes. De traditie in het Zwitserse canton van Genève, aangrenzend aan onze Haute Savoie, bestaat in 2007 twintig jaar. Op deze dag openen een kleine honderd caves, chateaux en domaines hun deuren voor het grote publiek. Overal kan gedronken, geproefd en gekeurd worden. Gratis. Voor hapjes wordt ook gezorgd. En de meeste gelegenheden vergeten ook de muziek niet: de plaatselijke blues, jazz of fanfarebands doen goede zaken. Zo viert men de oogst van het voorafgaande najaar. En probeert deze te promoten, dat ook.
We lopen over de afgesleten keien de toegangspoort door. Hier is het al niet veel anders, de muziek alleen wat luider wellicht. Onze vrienden vinden we op een geruit picknickkleedje onder een imposante eik. Ze hebben al wat vooronderzoek gedaan, en de glazen staan te wachten. Inderdaad, knikken we, niets mis mee, met deze Pinot Noir. Even later begeven we ons naar de cave van het domein waar het, inmiddels wat bekendere, ritueel van het wijnproeven begint. Met als enige verschil dat het wat hectischer is allemaal. Toch vinden we wel enige variëteiten die ons kunnen bekoren, en slaan we gretig onze slag. Want dat is natuurlijk wel de bedoeling van het vrijproeven van vandaag. Maar de kunst van de wijnmakerij verstaan ze óók in Zwitserland, dus het is geen bezwaar. Zeker niet zelfs.
Lichtelijk aangeschoten slepen we ons aan het eind van de dag onze buit naar de auto. De trouwe Twingo staat ietwat eenzaam te wachten op het smalle weggetje. Her en der bevindt zich nog een ander gezelschap, de man steevast met een stapel koopwaar in karton of hout voor zijn beuk balancerend, de vrouw met de kinderen aan de hand. Vlug deponeren we de dozen in de achterbak, kleedje erover heen. Nu nog even de grens over. En de grens, dat wil nog wel eens hindernis zijn. Het blijft altijd spannend: houden ze ons aan of niet? En vragen ze dan alleen om een paspoort, of staan de speurhonden al op scherp? We zijn ver over te toegestane limiet van twee flessen wijn per persoon. Maar de Zwitserse douane lijkt ook aangeraakt te zijn door deze perfecte dag en laat ons met rust. Zo ook de Franse. En vrolijk tuffen we in de schemer huiswaarts.
Wordt (wellicht) vervolgd…
Voor informatie over de caves ouvertes en een sfeerbeeld, zie hier:
Fijnproeverij (1 maart 2007)
Blindproeverij (27 februari 2007)
donderdag 1 maart 2007
Avonturen in een wijnland (II): Fijnproeverij
De man loopt de trap af. Zet zijn voeten op grote grove stenen. Geen enkele is het zelfde. Ogenschijnlijk lukraak naast en op elkaar gezet, eeuwen geleden, tezamen een geheel vormend. Bijeengehouden door het verstrijken van de tijd, om hem nu, vandaag, als trap te dienen. En gisteren. En morgen. En, hopelijk, nog vele dagen in de toekomst. Zijn gedachten zijn namelijk elders. Bij zijn grootvader die niet wil instemmen met zijn voorzichtig geopperde plannen. Die hem hierin niet kan volgen. De tijden veranderen, voor hem, voor zijn pasgeboren zoon. Voor de eigenaars van het andere landgoed in de vallei, de buren. En mededingers. Maar niet voor zijn grootvader. Deze leeft nog in een verloren wereld. Het oude huis dreigt te vervallen. Behoeft dringend onderhoud. De manshoge vaten vallen ten prooi aan de ouderdom, staan op het punt het op te geven. De vermoeide wijnstokken leveren niet genoeg meer op om uit de kosten te komen. Andere methodes zijn nodig. Vernieuwing op kleine schaal. Met oog voor traditie moet hij zich aanpassen. Anders zal het erfgoed in de vergetelheid raken. Zal de toekomst van zijn zoon verloren gaan. Zal hij naar de stad moeten trekken.
Hij let niet op. De loszittende steen beweegt onder zijn gewicht. Zijn voet glijdt weg, hij wankelt even. Zijn handen grijpen de overhangende struik. Vangen zijn gewicht op. Doornen snijden zijn huid open. Hard. Meedogenloos. Voor de tweede keer weerklinkt een zachte vloek.
Het wijnproef avontuur op het buurtfeest verliep verder voorspoedig. Gebroederlijk dronken wij met de pleinbewoners en lalden we mee in het Frans. Want Engels, daar had men weinig mee. En allen riepen nu te pas en te onpas Côtes du Rhône. Het werd zo gezellig, dat op een gegeven moment het halve plein met kleding en al in het zwembad belandde. Wel ja. En wie niet in het water lag, of al te snel weer was opgedroogd, kon hier niet lang van genieten: daar zorgden de lieftallige buren wel voor. Een grote plons volgde. Gelukkig was het een zonnige dag in juli.
Tijdens ons verblijf in Frankrijk mochten wij ons verheugen op een gestage stroom bezoekers uit Nederland. Grappig, hoe populair je opeens wordt als je in het buitenland woont. Familie en naaste vrienden, maar ook verre kennissen wisten ons te bereiken. En nieuwe kompanen waren ook verrassend snel gevonden. Men kwam in de winter, om gebruik te maken van de witte hellingen, en in de zomer, om zich te warmen aan de Franse zon. En velen waren ook wel geïnteresseerd in de wereld van de wijnen. En de Franse varianten genoten, alle ophef over de nieuwe wereld ten spijt, over het algemeen de voorkeur. Voor de visite was het bezoek dan ook een uitgelezen gelegenheid om eens een echt chateau te bezoeken.
Eerst maar eens advies in gewonnen bij al wat beter ingeburgerde collega’s. Waar heen te gaan met onze geëerde gasten? Wie heeft er nog een leuk adres, een gouden tip, waar gegarandeerd goede wijn gemaakt wordt? Waar we mee voor de dag konden konen? Want door de mand vallen, wij als wereldburgers, als kenners van het goede leven, wilden we liever niet. Door de façade mocht niet heen geprikt worden.
Op een zaterdag in december propte iedereen zich in de auto. Het was zo’n dag waarop de kou de botten bevroor. En verstijfde. We gingen op pad. Op wijnexpeditie. De Twingo, bergkarretje bij uitstek, zwoegde zich tuffend over steile paadjes en langs diepe afgronden. Onvervaard ploegde zij voort. Opeens waren we omringd door een zee van wijnranken. Kaal, want de oogst was al lang en breed binnengehaald. Een ietwat gebogen man liep langs de kant van de weg, keek nors op, verstoord door de herrie. In de verte doemden de donkere contouren van het kasteel al op. En werden groter. En groter. Enige nervositeit maakte zich van ons meester. Wat gingen we doen, daar? Wij, als Hollanders, in het hol van de leeuw, bewaakt door de Franse wijnboer. Uitgelachen zouden we worden, bespot, weggehoond. Misschien bezat de kasteelheer nog wel een oud jachtgeweer. Misschien had hij een aantal agressieve honden om zijn terrein te bewaken. Misschien…
Vastbesloten om de schijn op te houden en ons indien nodig achter onze gasten te verschuilen, vermanden we ons zelf en draaiden zelfbewust het terrein op. Grind knarste. Een hond blafte. Dus toch… Waar nu heen? We konden toch moeilijk recht voor het bordes parkeren. Ah, wacht! Een bordje! Met aanwijzingen voor de parkeerplaats. Aanwijzingen! Een goed teken. Dat betekende dat bezoek welkom was. Dat er een kans bestond dat ze ons niet gelijk de deur zouden wijzen. En op de parkeerplaats troffen we nog meer positieve signalen aan: er stonden nog een aantal autootjes. Klein, oud, en gebutst. Onze Twingo voelde zich al gelijk thuis.
Een volgend bordje wees ons de weg naar de cave. Geopend elke zaterdag van drie tot zeven. Dat was ook in ons voordeel: het was half 5. Niet te vroeg, niet te laat. Het bleek een licht verzakt, ruwstenen bijgebouw. Een zware deur, gemaakt van verweerd hout. Vol verwachting bewogen wij de klink naar beneden…
Een lucht zwaar van warmte, alcohol en verstreken tijd sloeg ons tegemoet. Veel hout. Krukken, een paar wankele tafeltjes. Stormlantaarns. Een knoestige bar. Hieraan drie mannen, verweerde gezichten, geruite trui, smoezelige broek van onbestemde herkomst, zwarte pet. Met een stuk of zes glazen voor zich. En een schaaltje met wat stukken lokale worst. Druk gebarend in gesprek. Duidelijk kind aan huis hier. In een hoekje een stel van middelbare leeftijd. Netjes gekleed. Hij rokend, zij voorzichtig nippend aan haar witte wijn. Waarschijnlijk ook voor het eerst hier.
De barman keek ons niet onvriendelijk aan en slingerde ons een woord van welkom toe. Op de toog lag een geplastificeerd papier. Hierop genoteerd de wijnen en prijzen. Een aantal variëteiten bleek reeds uitverkocht. Of we wat wilden proeven. Nou, dat wilden we wel…De jassen gingen uit. Glazen werden ingeschonken. Een bodempje slechts, want er was nog genoeg keuze over. Met een fijnzinnige uitdrukking namen we kleine slokjes. Lieten we de drank rondtollen. Bekeken we de kleur. De stroperigheid. Becommentarieerden we de afdronk. Om uiteindelijk met flink wat dozen onder de arm zelfvoldaan terug te keren naar de parkeerplaats. De ijzige plattelandslucht was welkom na het verblijf binnen. Het kasteel werd door vele lampen opgelicht in het donker. De hond bleek allervriendelijkst. De gasten waren tevreden, onder de indruk. Thuis trots een van de aankopen geserveerd. Deze proef hadden we mooi doorstaan!
Wordt (wellicht) vervolgd…
In deze serie verscheen ook:
dinsdag 27 februari 2007
Avonturen in een wijnland: Blindproeverij
De mooie kunst van de wijnbouw. En het wijnproeven. Vooral het wijnproeven.
Na een week lang met angstzweet rond gelopen te hebben, was ik eruit. We gooiden alles op het eten. Die wijn, ach, dat moest dan maar. Dus kilo’s verse vruchten aangesleept, aardbeien, frambozen, bramen, bessen. Verse volle yoghurt, de vetste slagroom. Siroop. Een nagerecht om je vingers bij af te likken.
Bewust lieten we het uur van aanvang voorbij gaan, om te vermijden de eerste te zijn, en door niemand aangesproken te worden. En ook vroegen we ons vertwijfeld af: zullen we wel, zullen we niet... Wat als we gewoon thuis blijven, met de luiken dicht…? Uiteindelijk beseften we dat we er echt niet onder uit konden en vertrokken we met lood in de schoenen, de zoete creatie pontificaal voor ons uit houdend. Eenmaal op het festijn gearriveerd, fashionably late dus, probeerden we de wijn zo achteloos mogelijk bij de andere flessen neer te zetten. In het tuinhuisje-annex-de-bar bij het zwembad. Dit waren duidelijk ook nog eens geen arme Verger-bewoners.
Helaas werd ons exemplaar al snel onderschept. Meewarig werd er met de tong geklakt. Een hoofd geschud. Ai ai ai. Het etiket was nog zichtbaar! Bij een blindproeverij! Dat hadden we al niet goed begrepen. We stonden één minuut na binnenkomst al 0-1 achter. Snel keken we om ons heen, op zoek naar een uitweg. Maar het hek zat muurvast. Krampachtig lachend maakten we aanstalten om ons aan onze nieuwe buren voor te stellen.
De Franse gebruiken bleken aan onze zijde. Want voordat men aan tafel gaat, wordt er eerst gedronken. Met volle overtuiging. Dus alle buren stonden al keuvelend glaasjes pastis weg te kegelen. Toen het voorgerecht. Wijn hierbij. Hoofdgerecht. Nog meer wijn. Andere wijn dan degene die klaar stond om de proeven, uiteraard. Toen werd het tijd voor de grand finale. De flessen in aluminiumfolie verpakt pontificaal op tafel. Mandje brood ernaast. Schone glazen. Water. Vlug onze strategie doorsproken: wat er ook gebeurt, we noemen alles Côtes du Rhône. Tenzij het zeker een Bordeaux is. En dan zeggen we er op geaffecteerde wijze Saint-Emilion bij.
Zo gezegd zo gedaan. Natuurlijk was Côtes du Rhône lang niet precies genoeg. Er moest ook nog een plaatsaanduiding volgen, een classificatie. En een druivensoort. Of meerdere. Enkele professionals wisten ook nog het jaartal. Maar wij hielden stug vol. Côtes du Rhône. Enkele glazen later: bien sure, Côtes du Rhône! De plezierig aangeschoten Fransen, want hier werd geen druppel wijn uitgespuugd, deden alras mee. Et les Hollandais…. Côtes du Rhône! En, als je het maar lang genoeg vol houdt, komt er op een gegeven moment ook een echte wijn van deze soort voorbij. Zo scoorden we toch nog een punt. Één punt. Op ca. vijfentwintig wijnen. Waar bij elke wijn drie of vier punten te verdienen waren. Want zelfs de Saint-Emilion, onze troefkaart, gooiden we op het verkeerde moment op tafel.
Nu, inmiddels weer lang en breed terug in Holland, heb ik een wijnencyclopedie cadeau gekregen. Een tijdje terug al weer, maar hij is nu pas geopend. Onlangs kocht ik een Chablis uit 2005 die mij wel prettig smaakte. Chablis, zo vertelt mijn naslagwerk, komt uit de Bourgogne. Ja zo ver was ik zelf ook al. Vier klasseringen: Petit Chablis, Chablis, Chablis Premier Cru, en, u voelt ‘m al aankomen, de Grand Cru. Aangezien nadere aanduidingen op het etiket ontbreken, ga ik er maar vanuit dat mijn wijntje van 6,99 een gewone Chablis is. Volledig ontwikkeld is deze pas na drie jaar, vermeldt de gids. Hmmm. Ik kijk naar de geopende fles. Zolang heb ik niet kunnen wachten…
zondag 25 februari 2007
Talentenjacht Ontmaskerd (boekrecensie)
In Engeland is het al niet veel anders. De Britse schrijver Ben Elton vroeg zich af, hoe het komt dat altijd degenen die je het minst sympathiek vindt, afvallen. En de leukste wint. Terwijl er objectief gesproken niet zoveel verschil tussen de kandidaten is. Soms kan de winnaar echt niet het best zingen of dansen. Vallen de kandidaten af omdat ze echt het minst getalenteerd of het vervelendst zijn, of zit er meer achter? Worden we niet gemanipuleerd, met z’n allen, iedereen die kijkt, iedereen die stemt, iedereen die meedoet zelfs? Hij schreef er een roman over. En na het lezen van dit boek kijkt niemand meer met dezelfde ogen naar enige talentenshow of realityserie. Beloofd!
Hier weer de belangrijkste ingrediënten:
1. Het boek
Het gaat om de roman Chart Throb, van de hier boven genoemde Ben Elton. Er is (nog) geen Nederlandse vertaling, dus het lezen moet in het Engels. Nu lees ik altijd zoveel mogelijk Engelstalige boeken in de oorspronkelijke taal, teneinde me niet aan vertalingen te hoeven ergeren, of bang hoeven te zijn dat de fijne nuances in het Nederlands verloren zijn gegaan. Chart Throb verscheen in het Verenigd Koninkrijk in november 2006. Ik pikte de airport edition van 427 pagina’s begin dit jaar op tijdens een reis naar Londen, op een vliegveld. Op deze manier verkrijg ik veel van mijn boeken: ik herkende de schrijver en de flaptekst sprak me aan. Het boek is in Nederland onder andere te verkrijgen via Bol.com en Amazon.
Ben Elton is een grote naam in Engeland. Hij schreef mee aan vele komische televisieseries, zoals The Yong Ones, Blackadder, en The Thin Blue Line. Ook heeft hij drie succesvolle toneelstukken op zijn naam staan die in West End gespeeld zijn, net als drie musicals, waaronder We Will Rock You samen met Queen. Hij schreef en regisseerde de film Maybe Baby. In totaal publiceerde hij tien romans. Ik las eerder High Society (2002) en The First Casualty (2005). High Society heeft als thema dat de oorlog tegen drugs verloren is, en dat iedereen, de politiek incluus, maar beter aan dat idee kan wennen. The First Casualty is een historisch drama dat zich afspeelt tijdens de Eerste Wereldoorlog, en verkent de grenzen tussen legaal en illegaal moorden. Van beide boeken heb ik genoten, de boeken grepen me vast en lieten me achter met stof tot nadenken. Dat is precies wat ik van een boek verlang.
Uit de literature map komt niet echt een auteur te voorschijn die heel dicht in de buurt van Elton ligt. Wel herkennen we hier op enige afstand namen als Stephen Fry, Fay Weldon, Michael Moore, Terry Prachett, Ian McEwan, Jonathan Coe, Bill Bryson en, dichter bij huis, Herman Brusselmans. Amazon vertelt dat klanten die Chart Throb kochten, ook interesse hadden in de andere boeken van Elton. Dit helpt ons niet zo veel verder. Iets nuttiger is de naam van Stephen Fry, die hier ook weer voorkomt. En Nick Hornby. Fry ken ik van The Stars’ Tennisballs, en van Liar. Hornby’s High Fidelity is verfilmd met Hugh Grant. Beide zijn schrijvers die een satirische kijk op de maatschappij in hun boeken weergeven, en hiervoor populaire ingrediënten gebruiken als muziek, films, televisie, sterrendom, en drugs. In deze hoek moeten we Elton dus zoeken.
3. Waar het boek over gaat
Throb betekent een regelmatig kloppen, pulseren. Heart-throb is letterlijk hartslag, maar ook een benaming die vaak gebruikt wordt voor mannelijke acteurs en zangers die aantrekkelijk worden gevonden, publiekslievelingen zijn. Chart Throb is de naam van de talentenjacht in het boek, en staat dus voor zoiets als de aanvoerder van de hitlijsten, maar misschien nog beter de aanjager, de stuwende kracht. Verder luidt de promotietekst van de uitgever, welke mij aanspoorde om het boek te kopen, als volgt:
Chart Throb is, voor zover ik kan nagaan, nog niet in Nederland gerecenseerd. In Engeland wordt enthousiast de link gelegd met de talentenshows daar te zien, inderdaad, Idols en X-Factor. En de overeenkomsten met de echte presentatoren en juryleden. Met name Simon Cowell, jurylid in Idols en eigenaar van en jurylid in X-Factor. Net als Calvin in het boek. Cowell schijnt zelf toegeven te hebben dat Chart Throb verrassend accuraat is. De recensenten vragen zich dan ook af, hoe het mogelijk is dat wat Elton, ogenschijnlijk zonder veel meer onderzoek dan oplettend televisie kijken, ontmaskert, zo voor de hand ligt en tegelijkertijd zo onbekend was. De televisie-machinerie doet zijn werk blijkbaar uitstekend en draait ons allemaal een rad voor de ogen.
Als ik elk boek dat ik las zo uitgebreid zou bespreken, zou ik geen tijd meer over hebben om boeken te lezen… Ergo: ik schrijf alleen over boeken die ik de moeite waard vind. En dat vond ik Chart Throb absoluut. Elton schetst een beeld van de huidige entertainment industrie dat niet fraai is. Ontluisterend. Zwart. De talentenjacht staat centraal, maar een belangrijke bijrol wordt vervuld door de wereld van de celebrity realityshows. Hoe, wederom, derderangs of vergeten beroemdheden trachten om hun naam te maken, op te vijzelen, door hun leven op TV ten toon te stellen. Schaamteloos. Niets ontziend, ook niet het leven van kinderen of partners. De Osbournes komen voorbij. En ook hier blijkt men naar hartenlust te manipuleren. Elton geeft de Prince of Wales een meesterlijke bijrol. De producenten, managers en netwerkbazen trekken aan de touwtjes. Het doel is om Prins Charles, een onwaarschijnlijke, aanvankelijk zeer onpopulaire kandidaat van middelbare leeftijd, als winnaar uit de bus te laten komen. His Royal Highness wordt His Rockin’ Highness. Niets is echt. Niets is toevallig.
Geen van de boeken van Ben Elton lijken beschikbaar te zijn in een Nederlandse vertaling. Terwijl deze toch ook de potentie hebben om de vaderlandse lezers aan te spreken. Zeker de wereld in Chart Throb gerelateerd is aan onze samenleving. Een gat in de markt, wellicht!
Over de rivaliserende ijsdansshows schreef ik eerder een opiniegedicht.
vrijdag 23 februari 2007
Roomservice IV - Chai Latte
Woensdag verloopt onder een gunstiger gesternte. De zon schijnt en doet zowaar Docklands in een vriendelijk licht uitkomen. Vogeltjes fluiten. Helaas kan ik er niet van blijven genieten: er is werk aan de winkel. Ik ga op pad. Ik worstel me door het drukke verkeer.
Dit verkeer is trouwens, congestion charge of niet, een immer aanhoudende ramp. Niemand lijkt zich er iets van aan te trekken dat hij/zij nu acht pond per dag moet betalen voor het rijden in het centrum van Londen. In het begin was er een kleine dip zichtbaar, maar inmiddels heeft de stroom auto’s zich hersteld, is zelfs waar mogelijk nog aangegroeid. Vult elk gaatje, elke open ruimte, elke ademtocht. Uitlaatgassen, getoeter, opstoppingen, aanrijdingen, boze gebaren, het is er allemaal nog steeds. Men tuft vrolijk door. Logisch ook, als je bedenkt dat iedereen die zich binnen de zone een appartement kan veroorloven, hier minstens tweeduizend pond per maand voor moet betalen. Voor twee kamers. Om over een huis maar niet te spreken. Daar kan die heffing ook nog wel bij. Ondertussen is de gebruikersbelasting natuurlijk wel een mooie melkkoe voor de gemeente geworden.
Ik ga mijn afspraken af. Ontmoet mensen. Praat. Ik drink een chai latte bij de Starbucks. Verlies me even in de smaak. Vraag me af waarom deze eigenlijk alleen in Londen zo goed bevalt. Geef toe aan de verleiding. Eet een cinnamon swirl. Neem de ferry over de rivier. Loop een stukje langs het water. Zie de eenzame hardloper. Hij ziet er niet gelukkig uit. Maar er blijkt hoop te zijn. Ook voor hem. Juist voor hem.Teruggekomen in het hotel is er nog meer goed nieuws. Niet alleen doet mijn 24-uurs internet connectie het nog een paar uur zonder dat ik bij hoef te betalen, ook blijk ik gisteren niet goed gekeken te hebben. Waarschijnlijk was ik murw gebeukt door de reis, en hadden het oponthoud van acht uur op Schiphol, de vlucht, en vervolgens nog de rit naar Docklands mijn hersenen enigszins vertroebeld. Want na nog eens goed alle losse papiertjes in de kamer bekeken te hebben, kwam ik toch nog, jawel, een roomservice menu tegen! Hoera! En dit menu bleek zelfs bestand tegen vegetariërs. Dat is toch wel een groot pluspunt van Londen ten opzichte van andere steden, zoals Parijs of Milaan: aan de niet vlees-eters is duidelijk gedacht. Vegetarische burgers, pasta’s, pizza’s, en risotto. Chinese tomatensoep. Helaas is niet alles te krijgen maar dat mag de pret niet drukken. Genoeg ingrediënten om een avondje bloggend door te brengen. En dat doe ik dan ook. Met verve.
In deze serie verschenen ook:
Roomservice III - Indefinite Delay (20 februari 2007)
Roomservice II - Mojita's (31 januari 2007)
Roomservice I - Entertain Me (30 januari 2007)
woensdag 21 februari 2007
De Lach
Hij kijkt op. Ziet het water. Hierin zijn eigen weerspiegeling. De rimpelingen. Het is windstil. Hij kijkt nog eens. Wat beweegt daar? Daar recht voor hem? Het lijken wel… De zon raakt zijn gezicht aan. Een schuchtere lach staat op het punt zich te verspreiden. Hij zet zich op het gietijzeren bankje neer. Tuurt naar het kanaal. De lach breekt nu door. De grijze man voelt het leven. En dat het mooi kan zijn, toch nog, soms, ook voor hem.
De moeder trekt zich niets van hem aan. Zij leert haar kleintjes zwemmen. In februari.
Roomservice III - Indefinite Delay
Als ik vervolgens op dit onheilspellend vroege uur buiten kom, verwacht ik de enige te zijn. Verwacht ik dat alles muisstil en verlaten zal zijn. Maar nee hoor! Hele hordes mensen zijn dan al op pad, colonnes auto’s bewegen zich over de wegen, staan zelfs al in de file. Dan ben ik steevast teleurgesteld. Mijn heroïsche acties deel ik met vele anderen.
Voor vandaag had ik het dus rustig aangedaan en mezelf een late vlucht cadeau gegeven. Laat, dat wil zeggen om half elf de deur uit. Hier zou ik al gauw spijt van krijgen.
Op Schiphol is mijn eerste blik voor de monitoren met vertrekinformatie. Vlucht VG227 naar London City: indefinite delay. Voor de niet-reizigers onder u: dat betekent weinig goeds. Dat betekent dat het zo erg is, dat men geen idee heeft wanneer je weg kan, dat het zelfs onzeker is of je überhaupt nog wel vertrekt. Dat betekent dat de moed je in de schoenen zakt en over de grond weg rolt. Dat betekent dat je beter in je bed had kunnen blijven. Het wordt niets meer vandaag.
Schoorvoetend toch maar naar de incheckbalie. Terwijl ik wacht wordt duidelijk dat dit vliegtuig in ieder geval niet meer vertrekt. De dame vertelt dat de landingsbaan sinds een uur of negen, tien bezet wordt gehouden door een Air France vliegtuig met vier lekke banden. Vier! Dat moet geen prettige landing zijn geweest. Dat vliegtuig zal flink over de baan hebben gestuiterd.
De tickets worden omgeboekt naar de volgende vlucht, twee uur later. Dus drie uur zoet te brengen op Schiphol. In je eentje. Maar ik heb een boek in mijn tas en mijn computer mee dus het zal wel lukken. Eerst maar eens een rustig plekje opgezocht. Dat valt nog niet mee. Uiteindelijk in een lege vertreklounge gezeten. Onder de luidspreker. Waar continu op vol volume een schelle stem boodschappen uitschalt: 'Mrs. X you are delaying your flight…Mr. Y please proceed to the airline information desk… Smoking is only allowed in the designated areas... New rules for liquids…Beware of pickpockets… '
Deze laatste verzin ik er misschien zelf bij. Maar er is geen ontkomen aan: de helse speaker achtervolgt me overal. Na anderhalf uur kan ik er niet meer tegen en heb ik een bonkende koppijn. Helaas is de marteling nog lang niet afgelopen. Want na het pre-boarden (eindelijk een aankondiging van belang!) blijven we vrolijk nog een uurtje of wat zitten in de te krappe pre-board ruimte zonder eten, drinken of toilet, totdat blijkt dat ook deze vlucht geannuleerd is. Allemaal in de rij bij de balie aan de gate, niemand weet iets, tickets omgezet naar de volgende vlucht.
Waar, u raadt het al, zich hetzelfde ritueel alras herhaalt. Inmiddels zit ik al zeven (!) uur op Schiphol te wachten op een vlucht naar Londen van vijftig minuten. Tja ik had het al eerder op kunnen geven, maar constant werden wij passagiers zoet gehouden met beloftes dat het vliegtuig nu toch echt zo wel zou vertrekken. Even wachten nog. En dan wacht je: wanneer neem je de beslissing om een andere strategie te volgen, hiermee toegevend dat al je wachten vergeefs is geweest?
Uiteindelijk kan men dit niet meer volhouden en geeft de luchtvaartmaatschappij zich gewonnen. We (intussen is er een soort van saamhorigheidsgevoel ontstaan tussen de sukkels van reizigers onderling) kunnen naar een ander Londens vliegveld vliegen. Helaas met een andere luchtvaartmaatschappij, dus is het noodzakelijk eerst de bagage op te halen, vervolgens met bagage naar de ticketdesk in de incheckruimte te gaan, hier weer achter elkaar aan te sluiten, en zo het ticket om te boeken. Terwijl we met koffers zo’n veertig minuten in de rij staan wordt de juffrouw achter de balie gebeld. London City is vrij, passagiers die zich nog bij de gates bevinden kunnen binnen 10 minuten vertrekken….Nee! Nee! Na acht lange uren wachten ben ik te ver verwijderd om dit ooit te halen! Nu ga ik dus mee met een latere vlucht naar Heathrow, waarvandaan ik nog anderhalf uur reistijd heb om weer in de buurt van City te komen. Ik moet immers naar Docklands. Het leven is niet eerlijk! Hier betalen ze me niet genoeg voor.
Moegestreden kom ik na een reistijd van twaalf uur, waarin ik makkelijk Zuid-Amerika of Hong Kong gehaald zou hebben, aan in de sprankelende omgeving van Docklands. In een hotel waar ik nog niet eerder geweest ben. Er is maar één ding in mijn gedachten: op bed liggen met een enorme hoeveelheid vet eten. De afstandsbediening. Een wijntje. En chocolademousse. Speurend kijk ik de kamer rond. Doe ik de wankelende kast open. Geen minibar. Geen kluis. Geen entertainment menu. Langzaam begint het me te dagen. Misschien was er een reden waarom dit hotel nu opeens door mijn beknibbelende werkgever aangeprijsd werd! En inderdaad, ook een roomservice menu ontbreekt. De ellende is compleet. Middernacht in Docklands. Uitgewrongen. Een hele dag gereisd voor nada. En niets te bestellen. Dan maar het complimentary biscuit. En een blogje. Want internet, dat is er dan weer wel…
zondag 18 februari 2007
Tijdreiziger in de herkansing
Nu is in mijn ogen de eerste regel van een relevante boekrecensie, dat deze actueel dient te zijn. Dus gaande over een net verschenen publicatie, een herziene uitgave, een verbeterde vertaling… Niet over een boek dat al vier jaar uit is, waarvan drie jaar in het Nederlands. Een boek dat een groot succes was en alle bestsellerlijsten al aanvoerde. Waar dus al volop over geschreven is. Maar goed, met deze eerste poging overtreed ik deze regel al meteen. Bij voorbaat excuses!
Het boek verdient in mijn ogen dus een herziening. Tot zo ver ben ik eruit. Maar hoe nu verder? Hoe bespreek je een bekend boek op enigszins professionele wijze zonder in ellenlange herhalingen te vallen? Op Internet zijn genoeg tips te vinden. Maar ja, op algemene tips vertrouw ik nooit zo! Eerst maar eens een lijstje van de belangrijkste ingrediënten:
Het gaat om de roman The Time Traveller’s Wife, van schrijfster Audrey Niffenegger. De Nederlandse titel luidt De vrouw van de tijdreiziger. Verscheen in de Verenigde Staten in 2003, de Nederlandse vertaling van Jeannet Dekker volgde in 2004. Gelukkig heb ik kortgeleden de moed opgevat om na de verhuizing de boekenkasten weer in te richten, en van de gelegenheid gebruik gemaakt om het kostbare bezit te alfabetiseren en op genre in te delen. De literatuur staat uiteraard prominent in de woonkamer, voor de non-fictie. Dus het boek terug vinden was een fluitje van een cent.
Van Audrey Niffenegger’s website word ik weinig wijzer. Er zijn slechts wat links naar interviews en adressen van haar uitgevers te vinden. De rest is ‘under construction’. Na even verder graven en het lezen van de flaptekst blijkt dat ze een ‘visual artist’ is en dat The Time Traveller’s Wife (in het Engels klinkt het net wat sterker!) haar eerste roman was. Tevens geeft ze les aan het Columbia College in Chicago. De Duitse Wikipedia weet nog te melden dat ze in 1963 geboren is en in het bezit is van een Master of Fine Arts. Ook komt er nog een lijstje van werk te voorschijn, dat wellicht niet uitgegeven is of uit losse verhalen bestaat. Dit wordt niet duidelijk. Uit uitgever Arena’s schaarse informatie blijkt nog dat Nifegger momenteel werkt aan haar tweede roman. Tenslotte vernemen we nog op de Engelse versie van Wikipedia dat Nifegger na het voltooien van haar werk haar haar rood verfde, als eerbetoon aan hoofdrolspeelster Clare. Clare, inderdaad, niet Claire.
Hier maak ik het mijzelf gemakkelijk en plak gewoon de promotietekst van de uitgever:
Samen met zijn grote liefde Clare probeert Henry uit alle macht een leven te leiden zoals ieder ander: met een vaste baan, goede vrienden en een kind. Dat dit alles onder druk staat door iets wat hij niet kan voorkomen en ook niet kan beïnvloeden, maakt dit ontroerende verhaal onvergetelijk.
Op 28 mei 2004 werd het boek besproken in Cicero. De conclusie luidde: een feelgood-roman over de zoektocht naar het geluk. Naast een groot aantal professionele recensies en talloze amateur becommentariërenden, vond ik nog een Nederlandse samenleesgroep, waarin lezeressen (inderdaad, voornamelijk vrouwen) hun ervaringen met elkaar deelden. En tevens geeft de op handenstaande verfilming al tijdenlang stof tot speculatie. Het boek is dus, kortom, voldoende bekend en geanalyseerd.
Ik kocht het boek uitsluitend op het omslagverhaal, niet in een boekwinkel maar online op Internet. De roman was net uit en ik had nog geen besprekingen gezien, zodoende begon ik er redelijk onbevangen aan toen ik het boek van mijn stapeltje ‘nog te lezen boeken’ afplukte. Op dit stapeltje in de slaapkamer liggen nieuw aangeschafte of geleende boeken stilletjes te sluimeren tot het moment waarop ze perfect aansluiten op mijn stemming. Verlangend naar het uur waarop ik, de voorganger net met een zucht van spijt dicht geslagen, de boeken één voor één oppakkend en door mijn handen bewegend, bedenk dat ik nou net precies zin heb in dat ene exemplaar. Toen dit tijdstip weer eens aangebroken was, bekeek ik het bovenste boek. The Time Traveller’s Wife beloofde heel wat. En stelde me niet teleur.
Al met al is dit artikel meer een soort van amateur-handleiding voor het schrijven van een recensie geworden, dan de recensie zelf. Dat is misschien maar goed ook, want zoals al eerder opgemerkt is nog een bespeking van The Time Traveller’s Wife een tikkeltje overbodig…
woensdag 14 februari 2007
Wolfmother - Paradiso 13 februari 2007 (recensie)
Dat bleek ook wel uit de kaartverkoop voor het concert in Paradiso: zonder veel ruchtbaarheid gingen de plaatsbewijzen op zaterdag 9 december de markt op. Aangezien Wolfmother op dat moment nog niet echt bij het grote publiek in Nederland bekend was, ging ik er vanuit dat ik hier niet mijn hele weekend voor om hoefde te gooien, maar dat maandagochtend vroeg genoeg zou zijn. Een grote fout! Het concert was binnen een mum van tijd uitverkocht. Gelukkig heeft een vriendinnetje met connecties heel erg haar best gedaan. Zodoende ben ik gisteravond toch in Paradiso beland. Met dank!
Vol verwachting klopte dus mijn hart. En het hart van zo’n dertienhonderd andere bezoekers. Ja, ook hier dus Boem! Boem! Boem! Maar dan anders. Er hing een uitverkoren sfeertje. Tot kort voor het concert was het voorprogramma onbekend. Maar dit mocht de pret niet drukken toen de band het podium beklom. Zij was wellicht uitkozen om haar naam, ‘Wolf & Cub’. Maar met twee drummers naast elkaar in de aanslag ging zij goed tekeer op rammelende instrumenten die wonderwel goed bij elkaar pasten. Het publiek volgde en reageerde enthousiast.
Toen was het tijd voor het hoofdprogramma. De spanning steeg. Daar waren ze! Drie ragebollen kwamen in zicht, de ene krullenbos nog woester dan de andere. En ze barstten meteen los. Retro-rock muziek met een vleugje psychedelica. De Seventies herleefden. Maar toch ook duidelijk met een eigentijds toefje. De decibellenmeter liet een constante 104, 105 zien. En dat is hard. Erg hard. Een muur van geluid werd dan ook op het podium neergezet. Met slechts drie leden produceerde deze band een enorme hoeveelheid herrie. Herrie, wel te verstaan, die meeslepend was, melodieus, je de omgeving deed vergeten, en hierdoor juist niet stoorde, ja zelfs in dienst stond van het geheel. De nadruk lag op het samenspel van de (bas-)gitaren. De op de plaat ietwat licht overkomende stem van zanger Andrew Stockdale werkt live uitstekend en vervolmaakte het geheel. Het niet al te overvloedige materiaal van deze nog jonge band werd goed gebruikt, en uitgesponnen waar het iets toevoegde, met instrumentale intermezzo’s die bol stonden van de muzikaliteit. De enkele cover die ertussen werd gewoven, zoals Communication Breakdown van Led Zeppelin, misstond niet. Af en toe een verwijzing naar de locatie, Amsterdam. Af een toe een woord naar het publiek. Maar voornamelijk: spelen. En doorspelen. De ervaring van het langdurige touren heeft ze duidelijk geen windeieren gelegd. Hier stond een zeer professionele band die weet hoe ze een energieke live performance neer moet zetten.
Het publiek bleef dan ook niet achter. De zaal zinderde. Men zong. Men schreeuwde. Men stampte. Men sprong. Men klom op het podium en liet zich op een bed van uitgestrekte armen door de zaal bewegen. Keer op keer. Soms neerkomend met de benen omhoog, en over de kop rollend. Ook kortgerokte meisjes werden zo op handen gedragen. De mobiele biertender deed goede zaken. De synthesizer werd het podium overgesleurd, heen en weer getrokken terwijl de toetsenist/bassist doorspeelde. Toen Wolfmother haar Grammy in ontvangst nam, zei Andrew ‘blown away’ te zijn. Gisteravond was bijna heel Paradiso in dezelfde toestand.
Toen, na een nog nadreunende toegift, was het afgelopen. Met piepende oren liepen we tevreden naar buiten. Het was, kortom, zoals rock ’n roll moet zijn.
Valentijnsgedachten
Strekken nader
Verkennend in de nacht
Verlegen vingertoppen
Reiken verder
Herkennend zonder licht
Voelend
Het leven
Vererend
De liefde
maandag 12 februari 2007
(Nep-)SneeuwWereld
Wij Nederlanders leven in een vlak landje. Goed, in Zuid-Limburg zijn er enige heuvels te herkennen. Langs de kust zorgen de duinen voor zeker tien meter niveauverschil. En vlak ook de werking van de dijken niet uit, die absoluut goed zijn voor een groot deel van de variatie in het landschap. Maar over het algemeen: zo plat als een dubbeltje. En omdat het gras altijd groener is bij de buren, willen wij wat we nu juist niet hebben: bergen. Hoge bergen. Om in te wandelen, om in te fietsen, om in het gras te liggen. Maar vooral om vanaf te skiën en snowboarden.
Daarom vertrekt de Nederlander halverwege februari in colonne naar oorden die wel het geluk hebben op de hemelse hoogtelijn te liggen. Kinderen op de achterbank met een koptelefoon en multimediamonitor, een grijze skibox op het dak volgestouwd met materiaal, en sneeuwkettingen achterin. Sneeuwkettingen die overigens ook vaak gebruikt zullen moeten worden, want sneeuwbanden, daar heeft de Nederlander nog nooit van gehoord. Eenmaal aangekomen wordt alles uit de auto geladen en kan het grote avontuur beginnen.
Maar wacht! Men wordt ook een dagje ouder. De spieren doen het niet meer zo goed. Kramp slaat toe en op dag twee is het wat moeilijk opstaan. Elke ochtend om half tien de kleintjes naar een skiklasje brengen is ook zo veel gedoe. Dat gaan we anders doen, volgend jaar! Zoon en dochter moeten al kunnen skiën en de ledematen dienen soepel te zijn. Maar hoe?
zondag 11 februari 2007
Zondagsrust
Keurend de plaatse kuisheid
Zware gewaden ruisen opwaarts
Koesterend de winterzon
Een lach
Klinkt
Beproefde ruggen buigen zich
Verzonken in het rulle zand
Stramme armen strekken verder
Vertrouwend de gulle tijd
Een bal
Rolt
Schuchtere blikken schieten
Herkennend heen en weer
Klokken slaan het avonduur
Vertrekkend met stille trom
Het plein
Leeft
vrijdag 9 februari 2007
De Single en de Toekomst
Het onderliggende thema van het nieuwe regeerakkoord is het gezin. Het gezin als hoeksteen van de samenleving. Gedeelde normen en waarden. Letten op elkaar. Vertrouwen. De ouders zijn verantwoordelijk voor het gedrag van hun kinderen. Kinderen, die het liefst ook altijd geboren moeten worden. Zelfs als de ouders er eigenlijk niet geschikt zijn. Niet in staat zijn om een kind op te voeden. Het zullen ook de meest kwetsbare groepen zijn die zich niet tegen de staatsbemoeienis kunnen weren. Deze onwillige ouders zitten straks dus niet alleen met een kind, maar zijn hier ook nog in toenemende mate verantwoordelijk voor. Spijbelt het kind? Wijs naar de ouders. Vloekt het kind? Wijs naar de ouders. Steelt het kind? Wijs naar de ouders. Gebruikt het kind? Wijs naar de ouders.
De drie voormannen spreken een wens uit. Een wens om terug te keren in de tijd. Terug naar traditie en traditionele omgangsvormen. Terug naar de tijd van wederopbouw. Terug naar het samen werken aan de toekomst. Terug naar gezamenlijke opofferingsgezindheid. Terug naar de jaren vijftig.
Hierbij gaan ze voorbij aan het feit, dat de wereld intussen wezenlijk veranderd is. We leven in een tijd van welvaart voor iedereen. Het oorlogstrauma is weggezakt. De christelijke kerken zijn leeggestroomd. De ontplooiing van het individu is belangrijker geworden. Gezinnen zoals die in de jaren vijftig bestonden, zijn er niet meer. Tien kinderen waren toen de norm, en komen nu bij hoge uitzondering voor. Vrouwen werkten nog nauwelijks. Scheiden was ongehoord en laakbaar in de ogen van de kerk. Het standaardgezin van toen kende een vader, een moeder en kinderen. Dit model is overgegaan in vele vormen: een alleenstaande vader met een of meer kinderen, een alleenstaande moeder met een of meer kinderen, een combinatie van gescheiden ouders met kinderen uit meerdere huwelijken. En ook, natuurlijk, het jaren vijftig gezin, al hoewel met een geringer aantal leden. Maar de snel groeiende groep van alleenwonenden wordt vergeten. Terwijl deze in de periode 2000-2006 met 10% groeide, en inmiddels ruimschoots de grootste groep huishoudens in Nederland vormt. (bron: CBS)
Wellicht denkt men dat de groep singles verdwijnt door haar in zo weinig mogelijk te laten delen. Geen kinderbijslag. Geen gesubsidieerde opvang. Geen gratis zorgverzekering voor de kinderen. Geen zes maanden ouderschapsverlof. Geen eigen minister. Geen eigen huis, want dit is in je eentje niet meer op te brengen, dus ook geen starterssubsidie of hypotheekrenteaftrek. Wel dient de alleenstaande belastingen of zorgpremies te betalen voor deze voordelen van een gezin. De single is, kortom, het ondergeschoven kind.
Winterrust
Vouwt zich om hem heen
Verstikkende verstilling
Breekt de adem bruut
Het land laat zich bedekken
Er rest nog slechts een gil
Een man verzucht zijn schaamte
De leegte is zijn deel
Een trieste druppel troost
Zakt langzaam uit de fles
Zo laat het leven los
Naast de eeuwige es
Huiverende handen ontvouwen
Veel te kort bemind
Vlugge vleugels klapperen vrij
Vluchtend op de wind
Alexandra 2007
woensdag 7 februari 2007
's Werelds beste plek
Met enige regelmaat bekruipt me het gevoel: wat doe ik hier? Wat zoek ik hier, in Nederland? Is het niet tijd om van omgeving te veranderen? Om iets nieuws te ontdekken? Zou het gras niet groener zijn, daar in Denemarken? De tomaten niet roder in Italië? De sinaasappels niet zonniger in Spanje? De kiwi’s niet gezonder in Nieuw Zeeland? Waarom wachten? Waarom niet gewoon vertrekken?
Na verloop van tijd kwam dan ook steevast de gedachte op: wat zoek ik hier in het buitenland? Is de melk niet gewoon het verst in Nederland? De kaas het lekkerst? En de pindakaas het smeuïgst? Dus nam ik snel een besluit en stouwde mijn bezittingen maar weer in de koffers. In nog meer koffers veelal, want bagage heeft altijd de neiging uit te dijen. Inpakken. Sjouwen. Reizen. Sjouwen. Uitpakken. Gek werd ik ervan: altijd op zoek. Altijd kijken of het ergens anders niet beter is, spannender, vriendelijker, mooier, gezelliger. Altijd, dus eigenlijk, ontevreden.
It’s all downhill from here.
Quelle tristesse….
Astronauten (opiniegedicht)
Maar toen haar collega haar niet bliefde
Sloeg de astronaute een beetje door
En verliet met grote spoed haar kantoor
Als een versmade vrouw over haar toeren
Ging ze op pad om haar rivale te ontvoeren
Vijftienhonderd kilometer moest ze rijden
En dat in zo laag mogelijke rondetijden
Een toiletstop was te moeilijk en overbodig
Een ruimtevaarster hoeft toch nooit zo nodig
Voor de zekerheid wel een luier aangedaan
Zodat ze echt niet stil kwam te staan
Eenmaal aangekomen met een pruik op haar kop
Werd ze gearresteerd, wat een strop
Gelukkig had ze nog wel een regenjas om zich heen geslagen
Zodat ze niet in een babydoek naar het bureau werd gedragen
Er zijn vele kinderen die zich een ruimtereis toewensen
Maar het zijn meestal niet de domste mensen
Die het lukt om in de shuttle te starten
En zo de zwaartekracht hebben kunnen tarten
En als ik dan zo’n berichtje lees
Laat het mij achter vol van vrees
Als ik mij bedenk dat een van de slimste personen van het land
Zo en plein public in de domste categorie is beland!
Alexandra 2007
donderdag 1 februari 2007
Roomservice II - Mojita's
Die jongens gaan ’s avonds op stap. En aangezien zij, zoals genoteerd, geen echtgenote thuis hebben die op hen wacht, willen zij graag wat vrouwelijk schoon bij de borrel en de pinda’s. Nou de café’s in Canary Wharf hebben dit begrepen. Begrepen, en ten gelde gemaakt.
Omhoog met de lift, met een glazen uitzicht op de omgeving. Een man strak in het pak staat naast me. Waar gaat hij heen? Met wie spreekt hij af? Ik zal het niet weten. Want eenmaal gearriveerd op de bovenste etage, de etage with a view, wordt het zicht gelijk ingenomen door een dame. Een dame op hakken, met lange benen en blond haar. Zij gaat blijkbaar over de reserveringen. Ze werpt een verveelde blik in haar boek. Ja, gereserveerd is er. Even kijkt ze op, geeft een handsignaal.
Aha! Daa komt de volgende dame al aan. Op hogere hakken. Met lange benen, en blond haar. En ook, dat kunnen we zeer goed zien nu, kortgerokt. Het jurkje lijkt verdacht veel op het ensemble van de eerste gastvrouw. Nu begint het zelfs mij ook op te vallen. Ik weet ook gelijk waarom de ogen van mijn mannelijke gezelschap al een tijdje schitteren. Sterker nog, waarom hij dit restaurant, deze bar, of, accurater, dit bar/restaurant/plek voor de happy few heeft uitgekozen. Waarom hij opgelucht ademhaalde toen ik zonder meer akkoord ging. Wist ik veel. Maar mijn mannelijk gezelschap is wat meer thuis in deze contreien.
Deze hooggehakte dame wijst ons met een vluchtig gebaar de garderobe, drie meter verderop. Absoluut noodzakelijk, deze hadden we zonder haar natuurlijk niet kunnen vinden. We moesten eens verdwalen! En achter de garderobe? Een volgende dame. Een knap gezicht. Nee, niet met blond haar. Ze is donker. Helaas zit ze achter een soort van toonbank en kunnen we haar rok- en beenlengte niet goed zien. Maar het is genoeg. Tyra Banks, eat your heart out. England’s next top model, here I come. Deze allercharmantst glimlachende, vriendelijke versie van Naomi Campbell neemt de jassen en tassen aan en geeft ons een nummertje. Op een stukje papier. En roept de volgende dame aan. Vol verwachting kijken wij op. En jawel hoor, ook deze is, ja inderdaad: op de allerhoogste hakken, met lange benen, en blond haar. Zij gaat ons voor naar onze tafel. Mijn blik valt op haar kuiten, een beetje wiebelig op de stiletto’s. Je kunt haar spieren uittekenen.
Nou. We zitten. De verwachtingen zijn hooggespannen. De mannen zijn aan hun trekken gekomen. Nu ik nog. Ik kijk hoopvol op als de ober aan onze tafel komt. Een stem met een accent. Een zuidelijk accent. Spannend. Een hagelwit jasje, zwarte broek. Dan loopt er een van de blonde nimfen langs. Ze steeds een kop boven de ober uit. Ja hoor! Natuurlijk! Voor de gastvrouwen is een modellenbureau aangetrokken. Voor de obers, als je eenmaal binnen bent, een blik Zuid-Italiaanse sardientjes. Van één meter zestig hoog. GRRRR. Ik noteer: voortaan zelf research doen voordat ik in Canary Wharf, testosteronparadijs voor yuppen, uit eten ga. Ik ruk de cocktailkaart naar me toe. Geen mojito’s. Alleen mojita’s. Ook dat nog.
Een mojita en een fles rode wijn later, neem ik me voor om het hele Canary Wharf eens flink te feminariseren. Deze gedachte houd ik vast tot in het hotel. Ja, het hotel in Docklands. Dat de taxi-chauffeur zowaar nog weet te vinden ook. Mijn hoofd tolt een beetje. Morgen is het weer vroeg dag. Op de kamer bel ik de roomservice. Twee grote flessen still mineral water, if you please…

